Categorie archief: Interview

Sociale media in het ziekenhuis

Het gebruik van sociale media staat in Vlaamse ziekenhuizen nog in de kinderschoenen, hoewel Amerikaanse koplopers zoals de Mayo Clinic aantonen hoe krachtig die kanalen wel kunnen zijn in de zorgsector. Nochtans zijn er wel enkele ziekenhuizen in Vlaanderen mee bezig, met Ziekenhuis Oost-Limburg als een van de leiders. We praten met communicatieverantwoordelijke Jurgen Ritzen.

Wat is je achtergrond?

Ik ben nu ruim twee jaar communicatiemanager bij Ziekenhuis Oost-Limburg. Ik heb een journalistieke achtergrond en ben mijn carrière bij TV Limburg begonnen, eerst als journalist en later ook als eindredacteur. Van 2008 tot 2010 was ik woordvoerder van toenmalig minister van Binnenlandse Zaken en Kamervoorzitter Patrick Dewael en daarna heb ik gewerkt als communicatiedeskundige bij Groep C van Noël Slangen.

Welke communicatiestrategie hanteer je in Ziekenhuis Oost-Limburg?

Als ziekenhuis hebben we natuurlijk heel wat doelgroepen, die elk een aangepaste communicatiestrategie vereisen. Interne communicatie is belangrijk omdat we heel wat medewerkers hebben, meer dan drieduizend. Extern communiceren we naar onze doorverwijzers, met name de huisartsen, maar ook naar de algemene bevolking: we willen dat mensen ons kiezen voor hun zorgbehoeften. En dan communiceren we uiteraard ook nog naar de vacaturemarkt. We hebben een aparte HR-dienst waarmee we samenwerken voor arbeidscommunicatie. Naar de pers communiceren we enerzijds reactief — door vragen te beantwoorden — maar anderzijds ook proactief via onze PR-strategie. We schakelen onze communicatiekanalen ook in om stakeholders zoals de stedelijke overheid en de provincie te informeren.

Hoe belangrijk is communicatie geworden in de zorgsector? Is er meer concurrentie tussen ziekenhuizen?

In de laatste decennia zetten de ziekenhuizen inderdaad hoog in op communicatie. Onze doelstelling is uiteraard dat we de bevolking ervan willen overtuigen dat ons ziekenhuis een goede plek is om verzorgd te worden. We moeten dus werken aan ons imago en mensen binden aan ons merk. Ik merk dat dit bij de meeste ziekenhuizen erg belangrijk is geworden.

Wij werken op verschillende manieren aan die doelstelling. Zo is een van onze communicatiethema’s preventie. Wij proberen een vertrouwensrelatie op te bouwen met mensen wanneer ze gezond zijn, zodat ze later als het minder goed gaat aan ons denken voor hun zorgbehoeften. Zo zijn we samen met de stad Genk de organisator van Genk Loopt, een erg populaire stadsloop, met na amper 2 jaar al om en bij de 2.000 deelnemers. In aanloop naar die dag en op de dag zelf zijn we heel prominent in het stadsbeeld aanwezig.

Kun je ons wat meer vertellen over de achtergrond en de aanpak van jullie socialemediastrategie?

Sociale media vormen heel laagdrempelige media waarmee je gemakkelijk veel mensen bereikt. Zo hebben we momenteel meer dan vierduizend Facebook-volgers, allemaal mensen die we rechtstreeks kunnen informeren over ons ziekenhuis. Voor een ziekenhuis behoren we daarmee tot het koppeloton wat betreft het aantal mensen dat ons volgt. Indien we erin zouden slagen om op lange termijn naar 20 of zelfs 30.000 volgers te gaan, dan creëren we voor onszelf een heel krachtig medium.

Met welke uitdagingen krijg je te maken op het vlak van sociale media? Wat houdt ziekenhuizen tegen? Zijn er redenen om het niet te doen?

In de zorg ben je met mensen bezig, met gevoelige materie, met privacy, met medische dossiers. Je moet dus echt wel voorzichtig zijn. Je hebt ook minder controle over sociale media: niet alle commentaren zijn bijvoorbeeld altijd even lovend. Je moet daarmee opletten, want dat kan uit de hand lopen. Je moet voortdurend de sociale media monitoren en in gesprek gaan met de mensen. Als we een negatieve commentaar lezen, sturen we een privébericht om te vragen of we die persoon kunnen voorthelpen. Het is belangrijk dat je toont dat je die commentaren serieus neemt.

Ik begrijp dat andere ziekenhuizen sociale media aan zich laten voorbijgaan omdat het moeilijker te controleren is. Onze visie is echter dat je dit niet kan tegenhouden en dat dit ook niet nodig is, zolang je maar eerlijk bent met de mensen.

Jullie gebruiken ook Twitter en YouTube. Hoe verschillen die kanalen van Facebook?

Facebook is voornamelijk een luchtiger medium, en we zoeken er dan ook altijd een gezonde mix van infotainment. We zetten er bijvoorbeeld onze medewerkers in de bloemetjes. Momenteel publiceren we een vijftigdelige reeks op Facebook waar we elke keer een dienst van het ziekenhuis voorstellen: wie werkt er, wat doen zij enzovoort. Mensen vinden dat leuk. Maar we voorzien ook ruimte voor meer ernstige onderwerpen zoals wetenschappelijk onderzoek. Omdat het belangrijk is dat mensen ook weten dat we een dynamisch ziekenhuis zijn dat voortdurend manieren zoekt om het zorgproces te optimaliseren.

Het is wel belangrijk om de juiste balans te vinden: te speels kan natuurlijk ook niet. Onze Facebook-account wordt beheerd door de communicatiedienst, we hebben iemand die daarvoor verantwoordelijk is en die dat strikt opvolgt. Als er gereageerd moet worden op iets belangrijks, bespreken we dat eerst. We nemen het wel degelijk serieus op.

Twitter daarentegen is meer geschikt voor communicatie naar de pers en opinieleiders. Onze Twitter-account neem ik zelf voor mijn rekening. Ik probeer minstens twee tot drie keer per week een update uit te sturen. Twitter is ook een manier om een crossmediale aanpak te volgen. Zo worden alle berichten uit ons wetenschappelijk magazine voor huisartsen en specialisten getwitterd. Op die manier worden wel wat verhalen opgepikt door de media en invloedrijke personen. Ik geloof sterk in de kracht van herhaling, om via verschillende kanalen een bericht uit te sturen.

En hoe zit het met YouTube?

Alles wat over Ziekenhuis Oost-Limburg in beeld verschijnt, zoals mediaoptredens van onze dokters op TV Limburg, komt op YouTube. Een van onze verpleegkundigen is cameramonteur als hobbyist en werkt regelmatig voor ons aan opnames. We tonen daarin bijvoorbeeld hoe ons operatiekwartier in elkaar zit, of het verloop van een dagopname van een kind. Dat laatste filmpje is trouwens enorm populair in Vlaanderen en Nederland: het is al een half miljoen keer bekeken. Daarnaast maken we ook fimpjes die gebruikt worden om bepaalde procedures te verduidelijken. Hiermee richten we ons voornamelijk op verpleegkundigen en artsen.

Wat is jullie intern beleid rond sociale media? Mag het personeel bijvoorbeeld commentaren op Facebook posten?

Ja, maar we hebben daarvoor regels, die we op ons intranet gepubliceerd hebben. Zo mag het personeel over hun job en over het ziekenhuis posten, maar niet in negatieve zin. En ze mogen zeker niets over patiënten posten. In de laatste twee jaar herinner ik me twee gevallen van personeel dat wel iets negatiefs schreef. Soms zitten mensen nu eenmaal met iets, bijvoorbeeld na een zware werkshift, en dan bespreken we dat met hen.

Waar halen jullie de kennis over sociale media vandaan?

Dat komt deels uit onze eigen ervaring, een stuk uit de literatuur en we pikken ook heel wat uit sociale media van andere bedrijven en organisaties op. Persoonlijk vind ik fingerspitzengefühl heel belangrijk: je moet aanvoelen wat werkt en wat niet.

We kijken uiteraard ook naar koplopers zoals Mayo Clinic en Cleveland Clinic, maar anderzijds werken zij met een totaal andere grootteorde van middelen, daar kunnen wij alleen maar van dromen. Sociale media vormen iets wat wij erbij nemen als passie. Ik weet wel, communicatietheoretici horen dit niet graag, maar je moet ook rekening houden met budgetten en dat wordt vaak vergeten. En dus hebben we hier geen afzonderlijke afdeling. We hebben naar taakverdeling toe wel een beetje herschoven op de dienst en dat werkt prima.

Hebben jullie nog andere plannen met sociale media en digitale kanalen?

Dit jaar gaan we een digitale nieuwsbrief op de markt brengen. We hebben er al een voor onze medewerkers en we hebben ook al een wetenschappelijk magazine voor artsen. Dat willen we nu aanvullen met een open publieke nieuwsbrief om nog meer goodwill bij de algemene bevolking te creëren.

Onze website wordt dit jaar ook helemaal vernieuwd, net zoals ons intranet. Maar je mag nooit de traditionele media vergeten: met krantenberichten blijf je nog altijd heel veel mensen bereiken.

Er zijn heel wat initiatieven in de VS, en stilletjesaan ook hier, om patiënten in hun zorgkeuzes te helpen met behulp van automatische aanbevelingen en zoekmotoren die gebruikmaken van tevredenheidsscores en meer objectieve gegevens zoals kwaliteitsindicatoren. Hoe zie je dat in Vlaanderen evolueren? Ik zie bijvoorbeeld dat jullie je eigen kwaliteitsscores publiceren.

We moeten toch voorzichtig zijn. Er bestaat momenteel een website — sanconet — die de reputatie van zorgverstrekkers meet op basis van beoordelingen door patiënten. Maar die beoordelingscriteria vinden we niet goed. Eén mindere ervaring van een patient op één specifieke dienst trekt je algemene score bijvoorbeeld drastisch naar beneden. Maar het geeft wel aan waar het naartoe gaat, het is duidelijk een belangrijke trend.

Innovatie in de Vlaamse zorgsector: een gesprek met Peter Raeymaekers

Na zijn jobs in technologietransfer en venture development aan de KU Leuven en Imec werd Peter Raeymaekers aangesteld tot adviseur innovatiebeleid van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Later werd hij coördinator van Flanders’ Care en sinds een jaar is hij nu actief bij Zorgnet Vlaanderen als stafmedewerker voor ICT. Kortom, Peter heeft een breed zicht op ICT-innovatie in de Vlaamse zorgsector.

Even een terugblik op je tijd bij Flanders’ Care: wat zijn volgens jou de belangrijkste realisaties van dit initiatief?

Flanders’ Care is erin geslaagd om de belangrijkste betrokkenen samen te brengen rond enkele concrete projecten. Dat is al een hele realisatie op zich, want dit soort samenwerking lag tot voor kort niet voor de hand. Na drie à vier jaar zien we nu stilletjesaan de eerste commerciële impact en zorgimpact van wat toen gezaaid is. Ik vind dat we met bescheiden middelen heel wat hebben gerealiseerd. Uiteraard is er nog veel werk – innovatie is immers een werk van lange adem – maar we hebben zeker een bewustzijnsverandering op gang gebracht. Ik denk bijvoorbeeld aan de visie die ontwikkeld werd rond gegevensdeling binnen zorg en welzijn in Vlaanderen.

Een recentere realisatie zijn de zorgproeftuinen.

Inderdaad, we zijn bij Flanders’ Care begonnen met een aantal demonstratieprojecten om de weg te wijzen naar toepassingen van nieuwe technologie. De volgende uitdaging is echter die innovaties over de hele bevolking uitrollen. Daarvoor heeft minister Lieten de zorgproeftuinen in het leven geroepen. De bedoeling daarvan is om innovaties op redelijk grote schaal in de praktijk bij zorggebruikers te brengen, met inzet van een voldoende kritische massa aan mensen en middelen.

Laten we het eens hebben over ICT in de Vlaamse zorgsector. Waar staan we volgens jou vandaag met het implementeren van het elektronisch medisch dossier (EMD) en het uitwisselen van patiëntengegevens?

We zijn nog heel ver verwijderd van het uiteindelijke doel. Bij huisartsen en bij thuisverpleging staan we wel al redelijk ver door invoering van een homolegeringssysteem, maar in de ouderenzorg en in de ziekenhuizen zitten we echt nog met een probleem. Meer dan de helft van de Vlaamse ziekenhuizen is momenteel op zoek naar een nieuw EPD. Dat zijn op zich al zeer complexe systemen, maar de weg ligt bovendien bezaaid met vele organisatorische, technische en financiele – obstakels. De ziekenhuisfinanciering voorziet in de eerste plaats niet in een rechtstreekse financiering van ICT, maar ook het marktaanbod is een probleem. Vanuit internationale hoek is er weinig interesse omdat wij als een micromarkt beschouwd worden, die daarenboven nog moeilijk toegankelijk is omwille van de Belgische administratieve bijzonderheden, de ‘unieke’ standaarden en de taal.. En dat terwijl die pakketten steeds meer nodig zijn, met de ziekenhuisaccreditatie als belangrijke driver. De markt voor zorg specifieke software in Vlaanderen is bovendien nog inefficiënt: overschakelen tussen verschillende pakketten is vandaag nog heel moeilijk, dat moet echt gemakkelijker kunnen.

De universitaire ziekenhuizen staan toch al redelijk ver?

Er zijn reeds verschillende ziekenhuizen, vooral universitaire ziekenhuizen die al beschikken over geïntegreerde systemen die ook de klinische processen ondersteunen, maar.  Niet alle ziekenhuizen zijn klaar om  de overstap te maken naar een EPD gezien zijn groot impact op de oraganisatie in zijn geheel. Als je nog moet vertrekken van een resultatenserver in je ziekenhuis, dan is de stap naar het aansturen van klinische processen nog vrij groot.

Wat kunnen ziekenhuizen daaraan doen?

We kunnen bijvoorbeeld met een groep van ziekenhuizen naar de markt stappen. Dat is exact wat we met Zorgnet Vlaanderen doen en waar ook UZGent reeds een initiatief heeft genomen: met een significant aantal instellingen met dezelfde EPD visie naar de leveranciers stappen. Naast de aanschaf kunnen wij ook op  implementatievlak onderling samenwerken, bijvoorbeeld door een centraal implementatieteam en door praktijken uit te wisselen. Of je nu bijvoorbeeld in Lier of in Turnhout een EPD opzet voor een bepaalde medische specialiteit, bv cardiologie, de implementatie daarvan is in grote mate hetzelfde. Waarom zetten we dan niet enkele specialisten samen om het werk te delen en inzichten uit te wisselen? We kunnen ook werken in  de cloud, zoals UZ Leuven dat nu doet. Dat soort scenario’s zijn we nu aan het evalueren in samenspraak met UZGent.

In de VS is Epic Systems de dominante speler in de EPD-markt voor grote ziekenhuizen. De laatste tijd krijgt die wel kritiek omdat het systeem duur en gesloten zou zijn. Kunnen we daaruit lessen trekken voor Vlaanderen?

Wij kijken ook naar de internationale markt, inclusief Epic. Die zijn inderdaad heel duur, zeker voor ons in de huidige financieringscontext. We proberen ons te richten op een open filosofie, maar dan wel in het kader van het eHealth-platform. Interoperabilitiet – vooral in de geneeskunde –  is in momenteel een voorwaarde sine qua non, maar ik heb weinig vertrouwen  in de goede wil van de leveranciers om die openheid te verzekeren. Daar is duidelijk een rol voor de overheid weggelegd. De uitwisseling en communicatie van patiëntengegevens via het eHealth platform (oa. eHealthBox een beveiligde elektronische brievenbus voor de gezondheidszorg) is één van de belangrijkste realisaties van eHealth en wordt meer en meer gebruikt. De vraag is nu eerder hoe we het gebruik kunnen veralgemenen.

Voor de activering van de eHealth hubs voor de uitwisseling van gegevens tussen ziekenhuizen staan we toch nog voor een aantal uitdagingen. Problematisch zijn bijvoorbeeld de informed consents – het eHealth-systeem werkt immers op basis van een opt-in. Op dit ogenblik hebben nog maar heel weinig burgers hun toestemming gegeven, terwijl alles afhangt van een breed draagvlak. Dat is een zaak van alle actoren: de artsen, de ziekenhuizen, de ziekenfondsen, de overheid enzovoort.

Hoe ver staan we eigenlijk op het vlak van telemedicine, de zorg op afstand?

Als de basis in orde is, namelijk het EPD, de financiering en de regelgeving, dan zijn de toepassingen legio. In Nederland bijvoorbeeld wordt een raadpleging op afstand terugbetaald. Maar hier in Vlaanderen staan wij in de prille beginfaze. Een dokter heeft momenteel geen enkel financieel voordeel bij een raadpleging op afstand, en bovendien bestaat er onzekerheid wat betreft de aansprakelijkheid. Zolang die zaken bij ons niet uitgeklaard zijn, zal telemedicine een niche-activiteit blijven, beperkt tot onderzoeksprojecten en enkele early adopters.

En wat met de betrokkenheid van de patiënt? In hoeverre zal hij inzage krijgen in zijn gegevens en op die manier betrokken worden bij zijn zorg?

We zijn ons allemaal van bewust van het feit dat de patiënt een belangrijker participatieve rol zal spelen in zijn gezondheidsproces. Juridisch hebben patiënten recht op inzage in hun dossier, dus elektronisch moet dat ook georganiseerd worden. Heel eenvoudig is dat allemaal natuurlijk niet en een onbeperkte toegang tot bepaalde  gegevens is niet in alle situaties wenselijk, bijvoorbeeld voor bepaalde psychiatrische aandoeningen. Maar via het eHealth-platform zal men viewers aanbieden zodat patiënten inzage in hun gegevens krijgen. Sommige ziekenhuizen hebben nu al portals om patiënten te betrekken. Het gaat dus in de juiste richting.

ICT en de veranderende rol van de huisarts

Huisarts Dr. Herwig Van Pottelbergh zetelt in de raad van bestuur van de artsenvereniging Domus Medica. We praten met hem over hun visie op de rol van de huisarts en over de positieve en negatieve aspecten van technologische ontwikkelingen in de zorg.

domus-medica.png

Wat is jullie visie op de toekomst van de zorg en de rol die technologie daarin zal spelen?

We pleiten voor een multidisciplinaire aanpak in de geneeskunde, waarbij de patiënt centraal staat. De rol van de huisarts – en de eerstelijnsgezondheidszorg in het algemeen – zal daardoor belangrijker worden. De huisarts moet de patiënt meer begeleiden in het doolhof dat het zorgsysteem steeds vaker is. Hij of zij wordt het kruispunt van alle informatie over de patiënt en moet het volledige overzicht hebben. Dat is alleen mogelijk door een verregaande informatisering in de zorg. Alleen op die manier kunnen we de patiënt optimaal begeleiden in multidisciplinaire zorgtrajecten.

Waar staan we vandaag met die informatisering?

Huisartsen hebben al toegang tot redelijk goede software voor elektronische medische dossiers. Momenteel zijn er een twintigtal pakketten op de markt, waarvan de meeste een officiële labeling hebben.  In december 2013 werd een nieuwe labeling  gedaan waarvan de resultaten midden februari gepubliceerd worden.  Die labeling is belangrijk, omdat artsen alleen voor een officieel goedgekeurd pakket van de overheid een jaarlijks bedrag van ongeveer 800 euro krijgen als stimulans om een EMD te gebruiken.

Sommige van die pakketten zijn heel performant en bieden goede ondersteuning, andere minder. Eigenlijk zijn er momenteel teveel EMD-producten op de markt. Wat meer concentratie zou goed zijn. De beste pakketten bieden alles wat nodig is. Maar misschien is de technologie voor een stuk ook al wat verouderd: zo moet de cloud bijvoorbeeld in heel wat pakketten nog bekeken worden. Maar dat komt, want de wachtposten gebruiken bijvoorbeeld al een performant cloudgebaseerd systeem.

Betreffende de communicatie met de ziekenhuizen zien we een meer gemengd beeld. Alle een-op-een communicatie verliep in het verleden via MediBridge, een commercieel product. De ziekenhuizen gaan echter volledig overstappen naar de eHealthBox, een beveiligde elektronische brievenbus van het eHealth-platform. Alle informatie die van de laboratoria en radiografieafdelingen komt, verloopt nu al redelijk goed via digitale kanalen. Bij verslagen van specialisten varieert dat echter nogal sterk van streek tot streek. Ik schat dat zo’n vijf tot tien procent van de verslagen die ik ontvang nog op papier aankomen. Die moet ik dus inscannen om in mijn EMD te zetten.

 logo_ehealth_home 

Tot zover de informatie die wij aanvragen. Maar wij pleiten ook voor toegang tot alle informatie van de tweede- en derdelijnszorg, zelfs als de patiënt bijvoorbeeld op eigen initiatief naar de spoedafdeling gaat. Wij vinden dat de huisarts het kruispunt van alle informatie moet zijn. In het verleden stond het ziekenhuis centraal, dat was dus een aanbodgedreven model. Wij willen echter naar een ander model gaan waarbij de patiënt centraal staat. De eerstelijnsgezondheidszorg moet in dat model dan ook versterkt worden – als eerste vangnet.

Neem bijvoorbeeld een diabeteszorgtraject. Wij vinden dat de eerstelijnshulpverleners dat soort trajecten moeten coördineren, met ondersteuning van de tweede en derde lijn. De informatie moet gebundeld worden bij de patiënt, niet bij de specialist. Als huisarts hebben wij een unieke positie om die ondersteuning aan te bieden en ervoor te zorgen dat er geen conflicterende adviezen zijn. De patiënt heeft immers eenduidig advies nodig en eenduidige begeleiding. We kunnen ook medische contra-indicaties ontdekken of prioriteiten stellen.

Maar ondersteunt het huidige financieringsmodel wel die nieuwe rol van de huisarts?

We komen inderdaad van een puur prestatiegericht model, waar alles om volume draaide. Maar dat concept hebben we toch al gedeeltelijk verlaten. Momenteel worden we met een beter model betaald. Een redelijk stuk van onze vergoeding – ongeveer een vijfde – hangt samen met taken in de vorm van o.a. zorgtrajecten, bijvoorbeeld voor diabetes, preventie, wachtdiensten, het EMD enzovoort. Dat is allemaal een soort taakfinanciering, geen vergoeding van prestaties. Op termijn moeten we naar een hoger percentage tussen taken en prestaties. Er wordt ons bijvoorbeeld gevraagd om het Sumehr (Summarized Electronic Health Record) te beheren. Wij zijn daarmee akkoord, maar dat moet vergoed worden.

Wat is jullie visie op telemedicine, zorg op afstand?

Let op wat je bedoelt met zorg op afstand. Je moet een onderscheid maken tussen één, het self-monitoring, twee, het monitoren van pathologische parameters door ziekenhuizen, en drie, telemedicine, dat wil zeggen echte therapie op afstand. Self-monitoring betekent dat de patiënt zelf over een dossier beschikt ofwel op zijn eigen PC (PHR) ofwel de gegevens beheert op een platform, waar hij en de huisarts  inzage op hebben. Dit om de verhinderen dat we in het EMD verdrinken in de overvloed van metingen. Het monitoren van pathologische parameters in samenwerking met ziekenhuizen kan ook, maar weer met goede afspraken, zodat we niet de loopjongens van ziekenhuizen worden.

Heel belangrijk is de therapie op afstand. In zekere zin doen we dat al in de praktijk: als patiënten op reis zijn, bellen of e-mailen ze mij nu al met vragen. Ook daar staan we positief tegenover, maar het moet vergoed kunnen worden. Er moet een nomenclatuur voor komen. En het moet juridisch uitgeklaard worden, zodat duidelijk is bij wie de verantwoordelijkheid ligt.

Er bestaan tegenwoordig al duizenden health apps. Hoe kijken jullie naar die trend?

Ik denk dat artsen in de nabije toekomst apps zullen voorschrijven. Maar dan moeten we eerst het kaf van het koren scheiden. Ook voor clinici zijn er nu al interessante platforms, die bijvoorbeeld audits doen van medische beslissingen op basis van evidence-based medicine. Ook voorschrijfapplicaties die waarschuwen bij contra-indicaties zijn al in gebruik.

In de VS zijn ‘find a doctor, rate a doctor’ online diensten in opkomst. Hoe kijken jullie naar dat soort initiatieven? En wat denken jullie van het publiek maken van kwaliteitsparameters?

Er moet in ieder geval een goed kadaster van zorgverleners komen dat publiek toegankelijk is. Als patiënt kun je dan nauwkeuriger zoeken naar bijvoorbeeld een kinesist die gespecialiseerd is in kinderen met aangeboren letsels. Maar ik ben niet voor websites waar dokters zelf hun profiel moeten onderhouden.

Ook publieke beoordelingen zullen problemen creëren. Het is natuurlijk niet te stoppen, want de ziekenfondsen en het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg weten nu bijvoorbeeld al wie goed of minder goed slokdarmkanker behandelt, maar wij staan er wat argwanend tegenover. Het risico bestaat immers dat artsen hun patiënten op zo’n manier zullen beginnen kiezen zodat hun beoordeling er positiever uitkomt, door bepaalde groepen patiënten af te stoten. Wie zijn patiënten nauwgezet kiest, kan zijn beoordeling echt verhogen. Dat probleem is niet eenvoudig aan te pakken.

We zien in feite nu al dat sommigen hun patiënten kiezen. Het gevaar bestaat dan dat we naar een gezondheidssysteem met twee snelheden gaan en dus middelen gaan wegtrekken bij zieke mensen voor de gezonde mensen. Daar ben ik resoluut tegen. Ik sta wantrouwig tegenover systemen die de happy few bevoordelen. Mijn eerste prioriteit vormen de zieken en gehandicapten; hen moeten we eerst verzorgen op basis van het solidariteitsprincipe.

Als u terugkijkt op uw carrière, is er dan veel veranderd? En kijkt u optimistisch naar de toekomst?

Absoluut. Ik zit al 35 jaar in het vak en vandaag werken wij veel meer op basis van vraag in plaats van aanbod. Ook multidisciplinair werken is in opkomst, in de zin dat we samenwerken met kinesisten, psychologen, medische huizen enzovoort. Dat is een duidelijk groeiend fenomeen. Daarom ook dat ICT zo belangrijk is geworden, om die coördinatie en communicatie in de eerstelijnsgezondheidszorg te faciliteren. In België hebben we een heel toegankelijke en solidaire gezondheidszorg en dat moeten we behouden.

Een gedurfde visie op zorginnovatie: een gesprek met Sofie Staelraeve van de VOKA Health Community

Sofie StaelraeveDe VOKA Health Community is een community van ondernemers, zorgspelers, kenniscentra en patiëntenorganisaties die regelmatig samenkomen om innovatie en ondernemerschap in de zorgsector te stimuleren. We praten met Sofie Staelraeve, coördinator van deze community en adviseur Witte Economie bij de Vlaamse werkgeversorganisatie VOKA. Ze vertelt ons over de realisaties van de VOKA Health Community en wat er in Vlaanderen moet gebeuren om innovatie in de zorg meer te stimuleren.

Kan u ons kort uitleggen wat de VOKA Health Community is en wat jullie precies doen?

De VOKA Health Community is om vier redenen bijzonder.

Ten eerste: het is het enige platform waar diverse spelers uit de zorgsector elkaar regelmatig ontmoeten. We leren er elkaar beter kennen en krijgen er de mogelijkheid om gemakkelijk met elkaar te praten, wat aanspoort tot samenwerking.
Ten tweede: we focussen ons op bepaalde thema’s, zodat we kennis kunnen uitwisselen en een gedeelde visie kunnen opbouwen. Belangrijk om te weten is dat we van een wit blad vertrekken, we baseren ons dus niet op bestaande wetgeving. Uit dit soort denkoefeningen vloeien interessante ideeën voort.

logo voka health community
Ten derde: we steunen samen met onze leden nieuwe ondernemers. We willen concrete noden in de zorg aanpakken via ondernemerschap. Een haalbaar businessmodel vinden is dus heel belangrijk. De slaapklinieken in Vlaanderen bijvoorbeeld hebben momenteel te kampen met lange wachtlijsten. Er bestaat wel technologie om aspecten hiervan op afstand te laten gebeuren, bij de patiënt thuis, maar dat wordt momenteel niet terugbetaald. Nochtans moet het mogelijk zijn om dit in een businessmodel te gieten zonder dat we moeten wachten op aangepaste regelgeving, namelijk via huisbezoeken van de arts.
En ten vierde: alles wat we doen proberen we zoveel mogelijk airplay te geven.

Wat zijn tot dusver de belangrijkste verwezenlijkingen van de VOKA Health Community?

We bestaan uit een mix van een 120-tal vernieuwende ondernemingen en zorgverstrekkers uit de ruime waardeketen. De community begint nu echt te leven, er is een dynamiek op gang gekomen waaruit concrete projecten en heel veel ideeën voortkomen. Ter illustratie: momenteel zijn drie concrete businessteams hun projecten aan het afronden en vijf nieuwe teams staan klaar om binnenkort met hun projecten te starten.

We hopen natuurlijk dat die projecten uitmonden in iets wat op grote schaal uitgerold kan worden. Dat is de grote uitdaging, want de financiering blijft vaak een heikel punt. Er zijn wel beperkte middelen beschikbaar via de verzekeraars en non-profits zoals de Koning Boudewijnstichting, maar dat is niet voldoende. We hebben businessmodellen nodig die financieel duurzaam zijn, maar dan raak je meestal aan beleidskwesties.

We discussiëren in 4 themagroepen over innovatieve onderwerpen en geven zo kennis door aan elkaar. We helpen onze leden ondernemend te zijn en geven hen vb financiële opleiding. We begeleiden hen naar consortia voor de realisatie van hun plannen en we sluiten zelf partnerschappen met organisaties die onze acties kunnen versterken vb met de Koning Boudewijnstichting (Caring Entrepreneurship Fund) vanaf dit jaar.

Koning Boudewijnstichting

Hebben jullie een bepaalde visie op de zorgfinanciering?

Wij pleiten voor een persoonsgebonden financiering. Dat wil zeggen: op basis van je persoonlijke zorgbehoeften ontvang je een bepaald budget om de diensten in te kopen die het best bij je noden passen. Dit staat in contrast met financiering op basis van programmatie of erkenningen. Dit nieuwe model zou een enorme dynamiek in de sector teweegbrengen. Dienstverleners worden dan immers gestimuleerd om te concurreren op basis van kwaliteit en innovatie.

Ons ander pleidooi heeft te maken met het gebruik van technologie, meer in het bijzonder telemedicine. We pleiten ervoor dat zorg op afstand gelijkwaardig behandeld wordt aan de klassieke zorg. Nu is de financiering bijvoorbeeld grotendeels gebaseerd op het uurloon van zorgverleners. Maar er zijn andere, efficiëntere manieren om zorg te organiseren. Als men de zorg voor een deel op afstand regelt, dan kunnen zorgverleners meer patiënten tegelijk aan. Neurologen en geriaters kunnen dan veel efficiënter ingezet worden, bijvoorbeeld in trajectbegeleiding van bepaalde zorgprogramma’s die gedeeltelijk op afstand gebeuren in plaats van puur op basis van prestaties of een reeks raadplegingen. Ook in de geestelijke gezondheidszorg is er erg veel interesse om mensen met een mix van klassieke raadplegingen en online kanalen te begeleiden. We krijgen heel veel vragen over technologische oplossingen op dit gebied, maar we stuiten steevast op het probleem van het businessmodel: de financiering is te rigide en daar moeten we vanaf.

Laten we het eens hebben over technologie in de zorg in Vlaanderen. Hoe ver staan we volgens jou met het gebruik van elektronische patiëntendossiers en het uitwisselen van patiënteninformatie?

Mijn ervaring is dat we nog niet ver staan, zeker niet op het vlak van de integratie tussen de verschillende niveaus. We denken nog te veel in silo’s: ‘dit is mijn patiënt’, ‘dat zijn mijn gegevens’, er heerst nog heel wat weerstand tegen het delen van informatie. De zorgactoren zijn niet open en denken nog te veel vanuit hun eigen machtsposities. Ook leeft in de zorg de neiging om het allemaal zelf te willen oplossen, om te bricoleren.

Maar ook de dynamiek vanuit de kant van de patiënt is er nog niet. In Vlaanderen zijn we nog oh zo braaf. Het debat rond patient empowerment leeft hier nauwelijks. Vanuit het beleid probeert men dat wel, bijvoorbeeld met Vitalink, maar hun eerste projecten zijn nog in testface, dus we moeten nog zien wat dit zal teweegbrengen. De beleidsstappen zijn positief, maar niet gewaagd genoeg.

vitalink

Er zijn vandaag heel wat gezondheidsapps en online diensten beschikbaar op de markt. Hoe springen we daarmee volgens jou om in Vlaanderen?

De early adopters zijn er natuurlijk mee bezig en iedereen zoekt uiteraard wel eens informatie op internet op. Doorgaans is de Vlaming echter nog veel te braaf: er heerst een kerktorenmentaliteit en men denkt dat de huisarts het altijd wel beter zal weten. Dit is echter een enorme opportuniteit voor de jonge generatie huisartsen, die een nieuwe rol zoeken als kruispunt in de multidisciplinaire zorg. Er zijn natuurlijk altijd artsen die alles bij het oude willen houden, maar de jongere generatie, die bijvoorbeeld vanuit de artsenvereniging Domus Medica actief is, durft veel meer. Er is trouwens een project ingediend bijons door een kring huisartsen die een nieuwe dienst aan hun patiënten willen aanbieden.

domus medica

Wat zijn uiteindelijk je conclusies over innovatie in de zorg?

Een ding is zeker: we moeten niet wachten op het beleid. In gezondheidzorg is de politiek eerder volgend; grote veranderingen zullen niet daar gebeuren. Het beheers- en besluitvormingssysteem is gewoon te rigide en verouderd daarvoor. Bij Voka is onze leuze dus: just do it! We kunnen als grote groep vernieuwende actoren wél dingen in beweging krijgen en zo innovaties realiseren. Politiek volgt dan wel.

Uiteraard is dit ook geen evidente weg: vernieuwing implementeren is een zaak van vallen en opstaan, waarbij goede cases ook afvallen. Maar sterke partnerschappen kunnen dit deels opvangen.

Dé hefboom voor innovaties in de gezondheidszorg ligt uiteindelijk bij de consument: hij/zij wordt kritischer, verwacht veel kwaliteit en meer flexibiliteit, inspraak en efficiëntie. Wereldwijd zal deze moderne zorggebruiker de driver zijn voor nieuwe modellen in de gezondheidszorg. We moeten zien dat onze witte economie in België deze trein niet mist.

Sofie Staelraeve geïnterviewd door Frank Boermeester.

E-health vanuit het perspectief van de patiënt

Roel HeijlenE-health wordt dikwijls bekeken vanuit een zorgperspectief, maar technologie biedt ook voor patiënten heel wat nieuwe mogelijkheden – en risico’s. We praten met Roel Heijlen, projectverantwoordelijke voor verzekeringen, patiëntveiligheid en e-health bij het Vlaams Patiëntenplatform. Hij geeft ons hun visie op e-health en legt uit waar we vandaag staan in Vlaanderen.

Op jullie website staan jullie standpunten over het elektronisch patiëntendossier en de uitwisseling van gezondheidsgegevens duidelijk geformuleerd. Jullie vragen bijvoorbeeld dat de patiënt zijn expliciete toestemming moet geven voordat zijn gegevens gedeeld worden met andere zorgverleners. Jullie vragen ook dat de patiënt zelf kan beslissen over de inhoud van wat gedeeld wordt, en dat hij inzage krijgt in zijn dossier en het dossier kan aanvullen. Die standpunten dateren echter al van 2008. Zijn jullie tevreden met de stand van zaken vandaag?

E-health blijft een complex verhaal en we begrijpen dat het niet eenvoudig is om alle systemen in de zorgsector met elkaar te verbinden. Toch zien we vooruitgang. Om gegevens uit te wisselen in de eerste lijn – dus tussen huisartsen, apothekers, verpleegkundigen, verzorgers enzovoort – heeft de Vlaamse overheid met Vitalink een belangrijke stap geleverd. De eerste Vitalink-proefprojecten voor de uitwisseling van medicatieschema’s zijn al van start gegaan. Dat is belangrijk omdat zorgverleners en apothekers daarmee beter kunnen waken over het juiste gebruik van medicatie, bijvoorbeeld in het geval van contra-indicaties.

vitalink

In het algemeen zien we bij de diverse belanghebbenden duidelijk een goede wil om de nodige stappen op het vlak van e-health te nemen. In 2010 was er een conferentie om deze materie in de eerste lijn te bespreken en daaruit zijn enkele werkgroepen ontstaan. Mettertijd heeft dat echt een positieve dynamiek gecreëerd: zowel op Vlaams als op federaal niveau is het besef gegroeid dat we nu concrete stappen moeten nemen.

In 2012 vond dan de Ronde Tafel eHealth plaats, waaraan ongeveer driehonderd deelnemers uit de zorgsector deelnamen. Daaruit kwam dan de eHealth Roadmap voort, een gedeelde visie met heel concrete doelstellingen en afspraken over wie wat tegen wanneer doet. Door die roadmap wijzen nu alle neuzen in dezelfde richting. Wat we momenteel nodig hebben is dat er breder gecommuniceerd wordt naar patiënten en zorgverleners over de komende veranderingen in 2014 en 2015. Dat is nu de grootste uitdaging, en de overheid moet hierin haar verantwoordelijkheid nemen.

En hoe zit het met inzage door patiënten in hun dossier? Hebben julie ook een standpunt over persoonlijke medische dossiers?

We hebben daar inderdaad over nagedacht en we hebben dat met patiënten besproken. Patiënten hebben duidelijk interesse in persoonlijke medische dossiers en inzage daarin, zeker patiënten met chronische ziektes. In het Radboud-ziekenhuis in Nijmegen krijgen patiënten inzage in hun dossier en dat blijkt een succes te zijn. Die inzage heeft heel wat voordelen: de patiënt is beter voorbereid, het klinisch personeel past hun terminologie aan, de patiënt is meer betrokken bij zijn therapie, en dat vertaalt zich dan weer naar een betere therapietrouw.

Ook in Vitalink is voorzien dat de patiënt inzage krijgt in zijn gegevens. Waarschijnlijk gaan de ziekenfondsen dat uitwerken met een IT-speler door een patiëntenportaal te ontwikkelen, waarmee patiënten toegang krijgen tot Vitalink.

En telegeneskunde?

Er lopen verschillende proefprojecten rond telegeneeskunde, maar de vraag blijft altijd: wie betaalt dat? Momenteel worden dit soort projecten altijd gefinancierd door subsidies en onderzoeksbudgetten. Indien het gebruik van bepaalde apparatuur een kostenbesparing voor de patiënt kan opleveren – bijvoorbeeld doordat hij verplaatsingen naar het ziekenhuis vermijden – dan zullen patiënten mogelijk bereid zijn om zelf voor die apparatuur te betalen.

telegeneeskunde

Naast de technologie en apparatuur, hoe worden de zorgverleners betaald bij telegeneeskunde? Met verpleegkundigen stelt het probleem zich in principe niet, want zij werken in loondienst. Maar voor artsen is de situatie lastiger, want zij worden betaald op basis van prestaties. We denken dat er meer omkadering nodig is voor telegeneeskunde. Er is duidelijk interesse bij ziekenhuizen in al die projecten, maar de moeilijke vragen rond financiering en juridische aansprakelijkheid zijn nog niet beantwoord.

Technologie biedt ook heel wat mogelijkheden rond kwaliteitsbeheer. Bovendien kunnen kwaliteitsgegevens ook beschikbaar gemaakt worden voor consumenten. Meer transparantie over de kwaliteit en kosten van de zorg kan zo gezonde concurrentie in de markt stimuleren. Wat is jullie visie hierop?

Vlaams patientenplatform

Wij hebben daar inderdaad een standpunt over, dat we op onze website gepubliceerd hebben. Het gaat in de goede richting. Momenteel loopt er een project om de kwaliteit van ziekenhuizen op een uniforme manier te meten, het QI-project. Dat is een initiatief van de ziekenhuizen. Onze eis is dat die gegevens transparant gemaakt worden voor de patiënten. We vragen een soort portaal waar de patiënt in zijn regio de diverse kwaliteitsindicatoren kan bekijken.

Roel Heijlen geïnterviewd door Frank Boermeester.

Brugse start-up toont hoe je samenwerkt met ziekenhuizen

Arne WautersTypework, een Brugse start-up, ontwikkelt een wetenschappelijk gegevensplatform voor een vereniging van orthopedisten in Vlaamse ziekenhuizen. MIC Vlaanderen spreekt met Arne Wauters, één van de vier jonge oprichters, over de kiem van het project, hoe ze samenwerken met ziekenhuizen en wat de belangrijkste lessen zijn die ze tot nu toe geleerd hebben.


Vertel eens over het product dat jullie aan het ontwikkelen zijn.

Het gaat om een wetenschappelijk gegevensplatform. Wanneer een patiënt een therapeutisch traject ondergaat, worden er heel wat gegevens verzameld: over de patiënt zelf, over zijn ziektebeeld en over de behandeling. De vraag die we ons stellen, is: hoe kunnen we die gegevens hergebruiken voor wetenschappelijk onderzoek? Het probleem is dat dit soort gegevens meestal niet gestructureerd is. Nu is het in de orthopedie gelukkig wel redelijk gemakkelijk om gestandaardiseerde scores te geven, met andere woorden om te meten hoe goed of hoe slecht een patiënt er aan toe is. In die discipline is het een standaardpraktijk om op verschillende momenten in een therapeutisch traject scores te geven, zodat men beter kan beoordelen of een behandeling helpt of niet. Onze ambitie is om die gegevens te verzamelen op bevolkingsniveau, via een centraal platform. Dan kunnen we analyses doen naar de impact van verschillende behandelingen op bepaalde ziektebeelden. Die gegevens zijn bruikbaar voor onderzoek of eenvoudigweg voor zelfreflectie.

Interessant. Hoe zijn jullie hier opgekomen? Waar komt het idee vandaan?

Mijn oom is orthopedist en lid van een wetenschappelijke kring van orthopedisten in Vlaanderen, actief in verschillende ziekenhuizen. Zij wilden een platform laten ontwikkelen zodat ze gegevens op een uniforme manier konden verzamelen om die dan bij elkaar te voegen voor wetenschappelijk onderzoek. Ik werkte toen voor een IT-bedrijf als ontwikkelaar en ben met dat project begonnen in bijberoep. Maar ik zag al snel dat er meer potentieel in zat. Ik had ook altijd al de ambitie om zelfstandige te worden. Mijn vennoot Simon en ik kennen elkaar al van op school en wij werkten ook samen bij hetzelfde bedrijf. Na enkele jaren ontwikkelen kwamen er plots twee studenten bij ons stage doen. We zagen dat ze heel bekwaam waren en ze hadden zin om mee in ons verhaal te stappen. Zo zijn we met ons vieren begonnen aan Typework.

typework

Waar staan jullie dan vandaag met dat project?

Momenteel zijn we in onderhandeling met de IT-afdelingen van een aantal ziekenhuizen. De bedoeling is om een centraal platform te bouwen, maar daar wringt het schoentje nu net. Ziekenhuizen willen immers niet dat gegevens van hun patiënten buiten hun muren bewaard worden. Daarom moet het platform geanonimiseerde gegevens bij elkaar voegen, maar het tegelijk toch mogelijk maken om gegevens van een individuele patiënt te raadplegen. De huidige groep van orthopedisten waarmee we werken, is gespecialiseerd in schouderblessures, zodat we daarmee beginnen. Samen met de artsen hebben we een gestructureerde vragenlijst opgesteld, met twee soorten vragen. Een deel bestaat uit een gestandaardiseerde vragenlijst die gekend is in de wetenschappelijke literatuur en nu al in gebruik is in de orthopedie. Daarnaast hebben de orthopedisten nog vragen toegevoegd, vragen die zij bij elke behandeling zouden willen stellen. Het platform werkt dus naast het elektronisch medisch dossier; onze gegevens zijn meer gestructureerd en ook geanonimiseerd.

Is het niet moeilijk om met ziekenhuizen samen te werken? Ik krijg de indruk dat ze liefst hun IT-verhaal zo veel mogelijk intern houden.

Het is inderdaad een uitdaging om met ziekenhuizen samen te werken, omdat ze zo begaan zijn met het beschermen van de veiligheid en privacy van hun patiëntengegevens. In zekere zin zijn we een vreemde eend in de bijt omdat we een extern platform aanbieden – dat is niet hun gebruikelijke manier van werken. Je moet hun standpunten respecteren en begrijpen, wat voor een jonge start-up natuurlijk uitdagend is. Maar het helpt ons wel dat de vraag van dit project van de artsen en eindgebruikers komt.

Heb je bepaalde tips voor andere jonge ondernemers?

Maak goede afspraken met je vennoten, bijvoorbeeld over je vakantieregeling, hoe je met winsten omgaat enzovoort. Wij hebben een soort ‘grondwet’ opgesteld die de huisregels en mentaliteit van onze start-up bepalen. Je moet echt eerst even door die zure appel heen bijten. En dan specifiek in de sector van de gezondheidszorg moet je zorgen dat je voldoende tijd en andere inkomstenbronnen hebt, want het kan allemaal lang duren.

Hoe lossen jullie dat probleem op?

Naast ons gegevensproject, dat weliswaar een product moet worden, voeren we ook andere projecten op maat uit voor verschillende klanten.

En wat vind je van het ecosysteem in Vlaanderen om start-ups te ondersteunen?

Sterk. We hebben enorm veel hulp ontvangen uit verschillende hoeken. MIC Kortrijk bijvoorbeeld helpt ons met het vinden van sales leads en heeft ons al aan heel wat interessante afspraken kunnen helpen. Hun workshops zijn ook erg bruikbaar. Andere organisaties zijn ook behulpzaam: ik denk bijvoorbeeld aan recente workshops over internationaal ondernemen door Flanders’ Care en het FIT (Flanders Investment & Trade). Internationalisering is momenteel onze focus niet maar het is wel een duidelijk opportuniteit op de langere termijn, want ons platform is in principe universeel toepasbaar. Orthopedisten hebben immers wereldwijd dezelfde vragen en hangen niet vast aan een specifiek elektronisch medisch dossier.

Arne Wauters geïnterviewd door Frank Boermeester.

De kloof tussen de gaming en zorgsectoren overbruggen

Tom LanghorstMIC Vlaanderen praat met Tom Langhorst, serious gaming expert verbonden aan Fontys Hogeschool voor ICT in Eindhoven, over de mogelijke rol van serious games in de zorgsector, en wat er nodig is om de deze discipline in Vlaanderen te stimuleren.

Je hebt expertise in serious games, vertel ons eens… Wat is je achtergrond? Hoe ben je in het vak geraakt?

Inderdaad, ik hou me bezig met serious games, of applied games wat de meer gangbare term vandaag is. Momenteel werk ik als docent en onderzoeker aan Fontys Hogeschool voor ICT in Eindhoven, in het department Game Design & Technology. Ik ben eigenlijk onrechtstreeks in het vak terechtgekomen, via de muziek. Ik heb een achtergrond in toegepaste muziekcompositie en heb destijds enkele jaren met Philips Healthcare samengewerkt aan een oplossing om kinderen rustig te houden tijdens een MRI-scan. Dat concept was opgebouwd rond verschillende componenten zoals een buddy (een knuffel), de inkleding van de MRI-kamer en muziek. Het effect was erg geslaagd, te vergelijken met een kalmerend medicijn, en het won ook een belangrijke ontwerpprijs (Dutch Design Award 2006) . Dat project was voor mij de prikkel om me verder te verdiepen in de rol die content – in de plaats van hardware of medicijnen – kan spelen in de gezondheidszorg.

Als audiotechneut was ik ook betrokken in een project van Janssen-Cilag om een soort psychosesimulator te bouwen. Het doel daarvan was mensen een beter begrip te geven van wat het is om te leven met schizofrenie (Paved with Fear). Die multimedia-installatie reisde enkele jaren over de hele wereld in een vrachtwagen en won ook verschillende ontwerpprijzen.

Uit die samenwerking met de farmasector kwam ik uiteindelijk terecht bij Fontys om onderzoek te doen naar hoe games kunnen helpen bij het optimaliseren van het gebruik van medicijnen. We weten bijvoorbeeld dat 40% van alle medicatie vandaag niet optimaal gebeurt. Er zijn dus enorme kansen om de kwaliteit van de gezondheidszorg te verbeteren als we erin slagen om de bestaande medicaties beter toe te passen.

De centrale vraag is: hoe kunnen we met games het gedrag van patiënten veranderen en mensen vaardigheden geven voor hun gebruik van medicijnen? Je kunt natuurlijk een bijsluiter of handleiding meegeven, maar een game biedt meer mogelijkheden. Zo hebben we dan samen met Janssen-Cilag de eerste applied games ontwikkeld voor ADHD. De eerste prototypes zijn ontwikkeld door onze studenten en van daaruit is Janssen verder gegaan met een gamingbedrijf.

Wat zijn de belangrijkste uitdagingen bij het invoeren van applied games in de gezondheidszorg?

Er heerst een nogal grote kloof tussen de leefwereld van game-ontwikkelaars en zorgverleners, al is die wel te overbruggen. Game-ontwikkelaars vertrekken typisch vanuit hun standpunt, ze ontwikkelen spelletjes die zij leuk zouden vinden. Maar de vraag uit de gezondheidszorg is: houdt je oplossing steek? Bied je een geldige oplossing voor een duidelijk probleem, haal je een specifieke doelstelling? Daarom onze leuze, “stop making games and start creating solutions”. Je moet de eindgebruiker voor ogen houden, user-centered design toepassen dus. En je moet testen of de oplossing wel degelijk de doelstellingen haalt. Dat alles vergt een zekere professionalisering.

Financiering is een ander belangrijk thema. In Nederland zit de financiering bij de zorgverzekeraars. Sinds die een particulier statuut hebben, streven ze naar efficiëntie. Zij zijn dus zeker geïnteresseerd in middelen die de kwaliteit en de efficiëntie in de gezondheidszorg verbeteren. In de kinesitherapie bijvoorbeeld zijn er nog veel kansen om technologie toe te passen, een beetje gelijkaardig met hoe mensen muziek leren. Mensen die thuis oefenen, of het nu revalidatie-oefeningen zijn of muziek, zeggen allemaal wanneer ze terug in de les zitten “Thuis ging het beter”, maar was dat wel zo? Het probleem is dat er thuis geen reflectie is. Met de bewegingsdetectie van een toestel zoals de Microsoft Kinect kun je dat echter wel bereiken.

Kinect

Bewegingsdetectie is één aspect, een ander is het gebruik van principes uit gaming om de intrinsieke motivatie te stimuleren. Als je je inleeft in een spel, verhoogt je dopaminegehalte en kan je pijngrens verlegd worden. Op dezelfde manier dat Vincent Kompany in de voetbalmatch tegen Servië terug het veld opliep met een gebroken neus, kun je patiënten stimuleren om hun oefeningen langer en intenser uit te voeren. De oefeningen die patiënten met brandwonden bijvoorbeeld moeten doen, kunnen heel pijnlijk zijn. Ze zijn echter essentieel voor de flexibiliteit van de huid. Een spel kan de patiënt die pijn beter doen tolereren.

Geavanceerde data analyse en Big Data zijn ook interessante thema’s. Bij de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) loopt een project waar patiënten die extreme woedeaanvallen vertonen, geholpen worden door een armbandje dat een woedeaanval tot 90 minuten op voorhand kan voorspellen. Dat armbandje heeft sensoren die onder andere de hartslag en temperatuur meten en aan de hand van bepaalde analyses een voorspelling maakt. Kun je dat soort gegevens gebruiken en integreren in een game, dat bijvoorbeeld op het juiste moment en op de juiste manier een aanval van agressie vermijdt?

In dit laatste voorbeeld beperken we ons nog tot het gebruik van data die de sensoren genereren. Als we daarnaast in de game externe data bronnen en analyses gebruiken, bijvoorbeeld om de game te personificeren, dan praten we over Big Data. In hoeverre zou je bijvoordbeeld gegevens uit sociale media kunnen gebruiken om een begeleidingstraject te personaliseren?

Is er veel verschil tussen Vlaanderen en Nederland in de toepassing van games in de zorgsector?

Ook al zie je in Vlaanderen allerhande initiatieven, Nederland staat toch een pak verder. Het obstakel hier is de financiering: de prikkels om dit soort innovatie te stimuleren zijn hier simpelweg minder aanwezig. Nochtans hebben we hier ook te maken met de belangrijkste langetermijntrends zoals de vergrijzing en de nood aan efficiëntie. Dus het zal ook in Vlaanderen wel gebeuren. Iedereen begrijpt de voordelen wel van applied games, maar de toepassingen zijn er nog niet, waardoor de economische voordelen nog niet zichtbaar zijn. Er is wel degelijk een gamingsector in Vlaanderen, maar de link met de zorgsector is nog onvoldoende gemaakt.

Met MIC Vlaanderen willen we dat stimuleren. Eén initiatief bijvoorbeeld is dat we voor een Vlaamse aanwezigheid gezorgd hebben op de Games4Health conferentie in Amsterdam.

gamesforhealth

Dat is zowat de belangrijkste ontmoetingsplek in Europa voor gaming en gezondheidszorg en ook de politiek krijgt er het woord. We leveren er twee sprekers en een aantal Vlaamse start-ups mogen zichzelf op het podium voorstellen aan een internationaal publiek. Daarnaast organiseren we seminaries in Vlaanderen om de juiste competenties aan te moedigen, bijvoorbeeld rond user-centered design.

Maar als we de industrie in gang willen zetten, moeten we uiteindelijk ook samenwerken met farmabedrijven, de verzekeringssector, de overheid en zorgverleners. Een onafhankelijke game-ontwikkelaar heeft de middelen niet om een klinisch gevalideerd product te ontwikkelen. Het is nu al zeker dat het traject van een klinische validering in samenwerking met de zorgsector moet gebeuren.

Heb je enkele tips voor start-ups?

Mijn centrale motto is: vertrek bij de gebruiker, dus pas user-centered design toe. Ten tweede, denk na over de benodigde stappen om je oplossing gevalideerd te krijgen in de gezondheidszorg: hoe ga je dat traject aanpakken? Ten derde, zoek hulp bij dat traject in de vorm van samenwerking met de juiste partners. Je moet een netwerk opbouwen van belanghebbenden. Kijk verder dan de eerste de beste dokter of het ziekenhuis bij je in de buurt. Het is veel breder dan dat. Breng de belanghebbenden in kaart en bouw je netwerk op en je zult merken dat er veel enthousiasme en ondersteuning aanwezig is.

De rol van technologie in de thuiszorg

Luc Van GorpLuc Van Gorp is hoofd van het departement Gezondheidszorg van KHLim en voorzitter van het Wit-Gele Kruis van Vlaanderen. Hij weet dus het één en ander over hoe de gezondheidszorg zich ontwikkelt om de behoeften van onze vergrijzende bevolking aan te pakken. We spraken met Luc over de rol van technologie in de ouderenzorg, in de zorg van chronisch zieken en in de thuiszorg. 


Vertel ons eens over het gebruik van technologie in de thuiszorg. Ben je er optimistisch over?

Ja, maar technologie moet aan enkele belangrijke criteria voldoen als ze wil werken, als ze een gunstige invloed wil hebben. Het allerbelangrijkste is dat de technologie moet afgestemd zijn op de mensen die het gebruiken: je moet altijd het perspectief van de gebruikers in het achterhoofd houden.
Wit Gele Kruis logo
Als voorzitter van het Wit-Gele Kruis van Vlaanderen heb ik onlangs een tijdje ons verplegend personeel op hun ronde gevolgd, wat een enorme impact had op mijn denken en besluitvorming. Als buitenstaander begrijp je vaak niet hoe mensen achter die muren leven. Zonder oneerbiedig te willen zijn: het kan soms rauw zijn. Technologie lijkt doorgaans te zijn ontworpen voor een perfecte, ideale werkelijkheid. De werkelijkheid dient zich echter niet perfect aan, de huizen zijn niet perfect, de mensen en hun denken zijn niet perfect en ons eigen verplegend personeel is niet perfect. Al te vaak is ons perspectief gebaseerd op onze eigen thuisomgeving, maar de realiteit is dat heel veel mensen geen e-mail hebben, geen computers en iPads, en zij kunnen of willen dat ook niet altijd. Dat al die technologie bestaat, betekent nog niet dat iedere persoon er klaar voor is.

Maar technologie kan wel helpen? Of is er altijd weerstand?

Je kunt het verkeerd hebben, maar ook onverwacht juist. Als je een patiënt bijvoorbeeld een infuuspomp geeft om thuis te gebruiken maar die veel te complex is, gaat er wel eens per ongeluk een alarm af. Als er dan geen verplegend personeel aanwezig is, breekt er paniek uit… Aan de andere kant toont onderzoek dat het gebruik van Skype als communicatiemiddel tussen verpleegkundigen en patiënten een absolute meerwaarde kan hebben.Skype Je zou verwachten dat dat niet werkt omdat het onpersoonlijk is en de verbinding niet altijd perfect is, maar het tegendeel bleek waar te zijn: we ondervinden dat mensen meer bereid en geconcentreerd zijn wanneer ze via Skype communiceren. Ze maken zich klaar, kleden zich aan, richten zichzelf op voor het scherm en concentreren zich dan echt op het gesprek, meer nog dan in een face to face gesprek. Dat vonden we echt verrassend, maar je moet wel een heel proces doorlopen voordat je zo’n succes kunt boeken.

Kun je dat eens uitleggen? Wat zijn dan de succescriteria?

Neem het voorbeeld van matrassen die doorligwonden voorkomen. De perceptie die mensen van die matrassen hebben, is een rechtstreekse link met ernstig ziek zijn. Ze associëren die met ziekenhuizen, met het levenseinde. Wanneer een verpleegkundige zegt dat ze zo’n matras gaat meebrengen, doen mensen vaak alles om dit te vermijden. Dus we hebben dan een onderhandelingsproces nodig, we betrekken de familie erbij en we zeggen dat ze met een kussen mogen beginnen voor we de matras erbij halen. Je moet vertrouwen opbouwen, dan wordt er een relatie gevormd, pas dan komt de interventie en daarna de beoordeling of het werkt of niet. Dat proces noemen we onderhandelde zorg.

Bij het elektronisch verpleegkundig dossier zagen we iets gelijkaardigs. Voorafgaand aan de eerste uitrol waren kritische geluiden te horen bij zowel patiënten als verpleegkundigen. Ondanks dat de eerste implementaties kinderziektes kenden (problemen met de netwerkverbinding, servers niet bereikbaar), zagen we snel nadien dat het gebruik van het elektronisch verpleegdossier niet meer weg te denken is in het leven van de thuisverpleegkundige. Het is een onmisbaar instrument voor zowel verpleegkundige als patiënt in de thuissituatie. Verpleegkundigen kunnen zich niet meer voorstellen dat ze terug op de oude manier werken. En de huidige evoluties van instrumenten die gebruikt worden (bv. tablet PCs), maken het mogelijk dat nu ook foto’s genomen worden van bijvoorbeeld wonden. De wondheling kan op deze wijze beter worden opgevolgd, omdat je de genezing dag in dag uit met elkaar kan vergelijken. Het is verbazingwekkend hoe snel zich dat ontwikkelt. Het is een geweldig voorbeeld van een technologie die volledig geïntegreerd is in het denken en handelen van verplegend personeel. Patiënten houden er ook van: ze kunnen nu meekijken op het scherm, willen zien hoe de verpleger hun dossier bijwerkt enzovoort. Op voorwaarde dat het proces goed gepland is en er goede communicatie is, werkt dit.

Vertrouwen is dus de sleutel tot het opbouwen van een relatie, zodat je een interventie kunt onderhandelen…

Ja, en daarom is betrouwbaarheid van de technologie ook zo belangrijk. Neem bijvoorbeeld de persoonlijke alarmen, dat is technologie die ondertussen 25 jaar oud is. De patiënt hangt daarbij een apparaatje rond zijn hals met een knop waarop hij drukt als hij hulp nodig heeft. Je vraagt je misschien af of die technologie nog relevant is, waarom kunnen we daarvoor bijvoorbeeld geen gsm’s gebruiken? Maar die persoonlijke alarmen zijn uitzonderlijk betrouwbaar, je kunt ze zelfs mee in bad nemen. Als we mensen bezoeken om de technologie uit te leggen, drukken patiënten vaak zelf op de knop, eenvoudigweg om die te testen. Ze vinden dat gevoel van veiligheid dat de technologie hun biedt, dat gevoel van comfortabel thuis kunnen blijven, heel belangrijk. telemonitoring

Een ander voorbeeld: we werken momenteel via een project van telemonitoring met bloeddrukmeters die patiënten thuis kunnen gebruiken. Die zijn erg handig in het zorgproces, omdat ze op afstand kunnen detecteren of de bloeddruk in gevaarlijk gebied zit en zelfs de dokter kunnen waarschuwen. Maar het moet wel 100% betrouwbaar werken; 90% is niet voldoende in deze context. Voor onze eigen technologische gadgets zijn we gewend om 90% betrouwbaarheid te aanvaarden, maar hier kunnen we dat niet: patiënten accepteren dat niet omdat hun leven ervan afhangt.
Kortom, je hebt vertrouwen, betrouwbaarheid, relaties en het onderhandelingsproces nodig, en dan zal technologie de zorg fundamenteel veranderen.

Echt? Zal technologie zo’n drastische invloed hebben?

Ja, op voorwaarde dat de patiënt er beter van wordt. We zitten echt op een kantelpunt: technologie wordt nu als positief ervaren en zal dus de manier waarop we aan zorg doen veranderen en de kwaliteit ervan verbeteren. Maar dat alles enkel op voorwaarde dat het vertrouwen en de relatie wordt onderhouden. Dat vergt tijd en inspanningen, wat niet vanzelfsprekend is. De patiënt van vandaag is ook mondiger: ze kijken mee naar het scherm met jou, ze monitoren hun eigen bloeddruk en zien de resultaten, ze weten wat die betekenen en trekken hun eigen conclusies. Dat verandert de hele relatie tussen patiënt en zorgverlener.

Je zegt dat de zorg fundamenteel zal veranderen. Wat voor veranderingen verwacht je dan precies?

Ik kan het niet helemaal uitleggen omdat een toekomstscenario nog steeds moeilijk te bevatten is. Het is een ontwikkeling, vooral in de relatie tussen patiënt en zorgverlener. Neem het voorbeeld met Skype: dat was onverwacht, de relatie verandert, maar het is moeilijk om te vatten hoe exact. Patiënten reageren meer in plaats van eenvoudigweg te ondergaan. Technologie helpt patiënten om sterker voor de dag te komen, meer te weten. Wanneer ze de eigenaar worden van hun medisch dossier, beslissen ze zelf wie toegang heeft, welke familieleden, misschien zelfs de poetsvrouw. Het zal niet meer het voorrecht van de zorgverlener zijn.

Wat ik wel denk is dat het hele idee van emancipatie van de patiënt verkeerd begrepen wordt. Technologie brengt patiënten niet terug tot de toestand van pre-patiënt. Ze zijn nog altijd ziek en hebben nog altijd zorg nodig. In de relatie tussen zorgverlener en patiënt blijft er altijd een zekere mate van afhankelijkheid bestaan. Ik denk dat we ons meer moeten focussen op betrokkenheid van de patiënt, wat iets anders is. Stel dat ik bijvoorbeeld een goede camera wil kopen en één van mijn vooroordelen is dat ik een camera van 1000 euro nodig heb. Een goede fotozaak die ik bezoek, luistert eerst naar mijn behoeften en capaciteiten en raadt me dan bijvoorbeeld een camera van 500 euro aan. Ik beslis dan nog altijd zelf, maar de verkoper heeft me bij de beslissing betrokken. Bij financieel advies werkt het proces gelijkaardig: de raadgever luistert naar je noden en adviseert je, betrekt je bij zijn advies om een betere beslissing te nemen, maar uiteindelijk beslis jij zelf. In de houding ‘Ik denk wel dat ik weet wat goed voor u is, maar u beslist zelf’ staat niet emancipatie centraal, maar betrokkenheid.

Als je die houding nu wil toepassen op gezondheidszorg, dan zal je snel beseffen dat dat lastig wordt omdat elke persoon, elke relatie verschillend is, waardoor het meer tijd in beslag neemt. Dat is wat bedoeld wordt met onderhandelde zorg. Technologie enkel inzetten om zaken sneller te doen, is niet goed. Een goede verkoper begrijpt dat, dus misschien moeten we in de zorg meer als verkopers denken en werken…

Welk advies heb je dan voor ontwikkelaars van technologie en start-ups in deze sector?

Loop mee in de zorg! Ga eens mee met een verpleegkundige, observeer hoe die relaties verlopen. Ik heb dat gedaan en het heeft me sterk beïnvloed. Maar al te vaak merk ik dat ontwikkelaars van technologie de zorg niet begrijpen. Maar ook andersom: wij moeten van technologie en van andere sectoren leren. We zijn bijvoorbeeld Essers gaan bezoeken, een geweldig bedrijf in de logistieke sector. Dat begon toen we mensen van Essers op een reis in China ontmoetten en zij ons vroegen of we met auto’s rondrijden. Dat was een belangrijke aha-ervaring voor ons, want toen beseften we dat dat logistiek is! We leren nu van hen over routeplanning, herbevoorrading enzovoort. We zouden Essers bijvoorbeeld ’s nachts ons verplegend personeel kunnen laten bevoorraden. Als we hen duplicaten van de autosleutels geven, kunnen ze in de koffer voor de bevoorrading. Ons verplegend personeel zou daardoor heel wat tijd uitsparen, zodat ze zich kunnen focussen op de zorg in plaats van op logistiek.

Wit Gele Kruis wagen

Telegeneeskunde in de praktijk: de visie en ervaring van de Mobile Health Unit

Pieter VandervoortDe Mobile Health Unit, verbonden aan de Universiteit Hasselt, het Ziekenhuis Oost Limburg en het Jessa Ziekenhuis is pionier in het gebruik van telegeneeskunde in de cardiologie. Maar de ambitie van deze multidisciplinaire onderzoeksgroep reikt verder: onderzoek in alle mogelijke medische domeinen waarin telegeneeskunde van toepassing zou kunnen zijn. De Mobile Health Unit wil op deze wijze een belangrijke rol spelen in de overgang naar de geneeskunde van de toekomst waarbij betrokkenheid van de patient, predictie en preventie centraal staan. We praten met Prof. Dr. Pieter Vandervoort, een van de initiatiefnemers van het centrum, over de realisaties tot dusver en de obstakels die nog op het pad van telegeneeskunde liggen als we het op grote schaal willen toepassen.

Wat is de visie achter de Mobile Health Unit? Wat zijn jullie doelstellingen?

De Mobile Health Unit is een initiatief van twee ziekenhuizen – het Ziekenhuis Oost Limburg in Genk en het Jessa Ziekenhuis in Hasselt – en de faculteit Geneeskunde en Levenswetenschappen van de Universiteit Hasselt. Onze visie is om technologieën die vandaag bij mensen thuis aanwezig zijn, zoals internet, laptops en smartphones, in de gezondheidszorg toe te passen. We willen met betere opvolging thuis bijvoorbeeld de levenskwaliteit van de patiënt verbeteren, ziekenhuisopnames vermijden of zo kort mogelijk houden en uiteindelijk de levensverwachting van de patiënt verlengen.

De Mobile Health Unit biedt een platform aan om dit soort technologieën in een klinische omgeving te testen en te onderzoeken. De klinische context wordt aangeboden door de twee ziekenhuizen, en de onderzoeksondersteuning door de universiteit. Zo kunnen we dus de gegevens die we in de klinische context verzamelen voor onderzoeksdoeleinden valideren. We kunnen daarvoor gebruik maken van de expertise in de faculteit Geneeskunde, maar ook uit andere onderzoeksdomeinen van de universiteit, zoals statistiek, gezondheidseconomie, rechten, marketing en human-computer interface.

We zijn van start gegaan in de cardiologie omdat prof. dr. Paul Dendale en ik beiden cardiologen zijn, maar de bedoeling is wel om ook onderzoek in andere domeinen te ondersteunen. We zien bijvoorbeeld al interesse van artsen gespecialiseerd in chronische longaandoeningen, en ook voor mensen met slaapproblemen, diabetes en zwangerschap.

Welke projecten lopen er momenteel?

Er zijn momenteel een aantal projecten aan de gang, waarvan er twee ondersteund zijn door Flanders’ Care. Tele-Rehab III heeft als doel om patiënten die een hartoperatie ondergaan hebben bij hun revalidatie te ondersteunen. We weten dat revalidatie een gunstig effect heeft. De deelnemende patiënten in dit project worden thuis opgevolgd via een bewegingssensor (pedometer), en ook hun bloeddruk en gewicht worden gemonitord. Met die informatie kunnen we de patiënt begeleiden om in beweging te blijven en mogelijke problemen tijdig detecteren.

Een tweede project is 1Heart2Care4, dat zich richt op patiënten met chronisch hartfalen. Die patiënten spenderen veel tijd in het ziekenhuis en hebben een grote kans op heropname en overlijden. In dit project proberen we na het ontslag uit het ziekenhuis voor de patiënt een veel nauwere opvolging te organiseren. Dat doen we door onder andere medicatie inname, bloeddruk, hartritme en gewicht te monitoren en die gegevens voor de thuiszorg en de huisarts beschikbaar te maken. Daarmee willen we een heropname vermijden, een korter ziekenhuisverblijf mogelijk maken en een betere levenskwaliteit realiseren.

Beide projecten lopen momenteel nog. Daarnaast hebben we onderzoeksprojecten bij patiënten met hartfalen en gesofisticeerde pacemaker implantaten : onze klinische praktijk volgt ongeveer vijfhonderd patiënten op met telemonitoring : veruit de grootste in België. Verder hebben we nog andere projecten die zich toespitsen op hartritmestoornissen, bloeddrukcontrole en therapietrouw.

Wat zijn de belangrijkste bevindingen tot nu toe?

Onze twee grote Flander’s Care projecten lopen nog en moeten ook in de context gezien worden van andere internationale studies, want daar bouwen we natuurlijk op voort. Wat betreft cardiale revalidatie hebben we in een studie onder leiding van Prof. Dendale aangetoond dat met telemonitoring en coaching de gunstige effecten van cardiale revalidatie langer aanhouden.

Met betrekking tot hartfalen van patiënten kunnen we al wel zeggen dat telegeneeskunde een positief effect kan hebben op de duur van het ziekenhuisverblijf, op het aantal heropnames en op de levenskwaliteit. Echter nog geen enkele grote studie heeft kunnen aantonen dat mensen langer leven, hoewel we zelf in een kleiner gemeenschappelijk onderzoek wel een gunstig effect zagen. Deze bevindingen moeten nog op grotere schaal bevestigd worden.

Er is dus nog werk aan de winkel. Op welke prioriteiten moet het onderzoek zich volgens u richten om telegeneeskunde verder te laten ontwikkelen?

De kans is groot dat ons tekortschieten in de verhoopte resultaten te maken heeft met het feit dat de parameters die we momenteel volgen, zoals bloeddruk en gewicht, veel te ruw zijn. Misschien zijn die parameters eenvoudigweg niet fijn genoeg om het verloop van een complexe ziekte zoals hartfalen accuraat en nauwkeurig op te volgen. Er is dus nog een enorme ontwikkeling in technologie nodig – en die komt er. Wij verwachten dat binnen twee tot drie jaar de aanpak van vandaag volledig achterhaald zal zijn. Over niet al te lange tijd zullen we implantaten hebben die bijvoorbeeld de bloeddruk in de bloedvaten meten of implantaten in het hart zelf, en zelfs geavanceerde sensoren die als pleisters op de huid aangebracht worden. In dat kader werken wij samen met Imec om onderzoek te doen naar miniaturisatie van onder andere batterijen, materialen voor implantaten enzovoort. Dat soort onderzoek is van ontzettend belang en wat wij aanbieden met de Mobile Health Unit is een proeftuin met honderden patiënten waar we het nut van die nieuwe technologieën kunnen uittesten in de klinische praktijk.

Een ander domein dat veel aandacht verdient, is dataintegratie. In een ideale wereld zouden alle gegevens die bij de patiënt thuis en in een klinische context verzameld zijn, samengebracht worden in een elektronisch medisch dossier. Vandaag bevinden die gegevens zich op meerdere plaatsen en moeten we dus verschillende bronnen raadplegen. Alle telegeneeskundetoepassingen die vandaag op de markt zijn, hanteren bijvoorbeeld hun eigen gegevensstandaarden en hebben hun eigen website of portal waar je je gegevens moet raadplegen. Technisch is het mogelijk om dat allemaal beter te integreren, maar de stimulans om daarin te investeren bestaat nog niet. Privacy is een obstakel waarover vaak gesproken wordt, maar dat is op te lossen; het echte probleem is de versnippering.  Ik denk dat er onvoldoende duidelijkheid en eensgezindheid is in de verwachtingen van de verschillende zorgverstrekkers en instellingen .

De klinische opvolging van al die telegeneeskundegegevens is ook een uitdaging. Je kunt van je huisarts niet verwachten dat hij of zij constant verschillende websites met je bloeddruk- en hartritmegegevens moet raadplegen, of dat hij of zij om de haverklap een e-mail ontvangt van een of andere telemonitoring app. Wat ontbreekt is een soort klinisch callcenter waar speciaal opgeleide verpleegkundigen op een systematische manier deze gegevens monitoren, maar ook interpreteren, zonodig in overleg met de specialist, en medische feedback geven aan de patiënt en de huisarts. Je kunt de meest fantastische toepassing hebben, maar zonder klinische terugkoppeling is die waardeloos. Dat is een van de redenen waarom we in het Ziekenhuis Oost Limburg een klinisch call center opgezet hebben, om een terugkoppeling te bieden aan de patiënt en zijn huisarts.  Wat we hier in Genk in de laatste drie jaar gebouwd hebben, staat nog in de kinderschoenen, maar we slagen er wel in om ettelijke honderden patiënten systematisch op te volgen. Op alle telemonitoringgegevens van verschillende toepassingen die hier binnen komen, voeren we een triage uit. Daardoor kunnen de verpleegkundigen duidelijk beslissen wie ze moeten bellen, of ze een arts moeten verwittigen, of ze de patiënt extra moeten bevragen enzovoort. Om deze steeds groeiende hoeveelheid gegevens snel en overzichtelijk te visualiseren en te analyseren werken we samen met het Microsoft Innovation Center hier in Genk.

Wat moet er nog gebeuren om telegeneeskunde op grote schaal toe te passen in de gezondheidszorg?

In de Belgische context is vooral de financiering van telegeneeskunde een obstakel. Het is begrijpelijk dat de overheid een efficientiewinst, betere zorgkwaliteit of kostenbesparing verwacht. Ook dit is één van de opdrachten van de Mobile Health Unit om deze gegevens op een wetenschappelijk verantwoorde manier aan te leveren. Een mogelijke oplossing is om de financiering te verantwoorden omdat er minder gehospitaliseerd moet worden. Thuiszorg is veel goedkoper dan ziekenhuiszorg, dus als een telegeneeskundedienst hospitalisatie kan vermijden, dan zou dat telegeneeskundebudget vanuit het ziekenhuisbudget kunnen komen. Maar de kans dat dit realiteit wordt, schat ik klein in.

Stel nu dat we de financiering oplossen, hoe ziet u dan de organisatie van telegeneeskunde en de gerelateerde klinische callcenters ontwikkelen?

De technische kant van telegeneeskunde zal buiten het ziekenhuis beheerd moeten worden; de thuiszorg en technologiebedrijven zullen moet samenwerken om de apparatuur bij de mensen thuis te onderhouden. Een aantal gegevens zal de patient zelf kunnen inkijken en beheren. Op deze wijze is hij of zij meer betrokken en mede verantwoordelijk voor de opvolging van zijn gezondheid. De analyse en opvolging van de meer complexe parameters daarentegen kunnen het best gecentraliseerd worden. Dit gebeurt best in een telegeneeskunde dienst of klinisch call center. Vandaar uit wordt een terugkoppeling gegeven, al dan niet met een aanbeveling of klinische actie, naar de huisarts en/of de patient. Ik verwacht dat dit bijvoorbeeld op provinciaal niveau kan: men onderhoudt dan in elke provincie één of twee klinische callcenters die elk ettelijke duizenden patiënten opvolgen.

Interview met Christel De Maeyer – Vlaams onderzoek in Quantified Self

christeldemayer Christel De Maeyer is al actief in de digitale wereld sinds de eind jaren 80, in de tijd dat cd-roms nog cool waren. Ze heeft digitale mediacampagnes georganiseerd, ze richtte een opleidingsbedrijf in Macromedia/Adobe-technologieën op en verkocht dat later, ze heeft een business accelerator geleid bij Howest, en vandaag is ze lid van het Peace Innovation Lab, een onderzoeksgroep verbonden aan het Persuasive Technology Lab van Stanford University. We spraken met Christel over haar huidige activiteiten in het domein van Personal Informatics.

Je doet onderzoek in Personal Informatics. Wat is dat juist? Wat is het verschil met Quantified Self?

In wezen gaat het om hetzelfde. Ian Li, die aan Carnegie Mellon University gedoctoreerd is, heeft het personal informatics genoemd. Het is beter bekend onder de naam quantified self, maar dat is ook uitgegroeid tot een hele beweging, bijna een levensfilosofie zelfs. De termen verwijzen allebei echter naar het gebruik van hulpmiddelen om relevante persoonlijke informatie te monitoren over je eigen gedrag, gemoedstoestand, fysieke prestaties enzovoort.

Hoe ben je in dit domein betrokken geraakt?

Ik kwam er voor het eerst mee in aanraking toen ik in 2009 in San Francisco was. Ik begon te experimenteren met slaapmonitors en zo leerde ik de mensen van Zeo kennen, een van de belangrijkste innovators in dit domein. Eenmaal terug in Europa begon ik hun apparaat te testen, dit was 2010. Eerst in mijn eentje en later in een kwalitatief onderzoeksproject als onderdeel van mijn masteropleiding bij de onderzoeksgroep SMIT (Studie over Media, Informatie & Telecommunicatie, onderdeel van iMinds. Op dat moment ben ik ook de BodyMedia armband gaan testen, een bewegingstracker en slaapmonitor waarvan de werking berust op huidsensoren.

Vertel me eens over dat onderzoek.

Ik ben aan het onderzoeken hoe mensen hulpmiddelen gebruiken om zichzelf te monitoren en of die hulpmiddelen een impact hebben op hun gedrag. Veranderen die hulpmiddelen echt hun gedrag? Nemen die mensen bijvoorbeeld preventieve gezondheidsmaatregelen door de kennis die ze opdoen? Ik heb een heel diverse groep van tien personen aangetrokken die er allemaal mee instemden om een aantal parameters te monitoren, zoals slaap, fysieke activiteit, aantal stappen, calorieën en voedselconsumptie. We zijn in oktober 2012 begonnen en iedereen verbond zich ertoe om zichzelf 24/7 te monitoren. Van december tot februari lasten we een rustige periode in, om te kijken of de mensen het monitoren volhielden zonder dat ik hen opvolgde. En nu in maart zijn we formeel opnieuw begonnen, waarbij iedereen zichzelf weer 24/7 monitort. Langzamerhand gedraag ik me niet alleen als onderzoeker, omdat ik heel wat kwalitatieve feedback verzamel, maar ook als een coach of klankbord voor de deelnemers. Het is een heel intens proces.

Wat zijn tot nu toe enkele van je belangrijkste conclusies?

Een eerste observatie is dat mensen zich redelijk snel lijken aan te passen aan het apparaat. Na een paar weken waren de meeste deelnemers zich niet eens meer bewust van het feit dat ze de armband droegen. Ze hadden echter wel enige moeite om voedselconsumptie bij te houden, omdat dat omslachtiger en tijdrovender is. De kracht van de armband is juist dat hij heel wat parameters automatisch bijhoudt, zonder dat je daarvoor iets hoeft te doen. Een ander probleem is de manier waarop buitenstaanders reageren op zo’n armband. Ik vermoed dat de meeste ontwikkelaars en gebruikers dat onderschatten omdat ze zich vooral in gemeenschappen van technisch onderlegde personen begeven. Mensen die niet vertrouwd zijn met digitale technologieën kunnen echter vrij negatief op zo’n armband reageren, bijvoorbeeld met de vraag of de gebruiker aan een medische aandoening lijdt.

Een tweede belangrijke bevinding is dat de deelnemers duidelijk meer besef van en inzicht in hun gedrag krijgen. De gegevens zijn nu eens confronterend, dan weer verrassend voor hen. En ten derde lijken de deelnemers meer gemotiveerd en overtuigd om hun gedrag te veranderen. Dit is een kwalitatief onderzoeksproject, dus we kunnen er uiteraard geen harde conclusies uit trekken, maar het onderzoek illustreert wel hoe hulpmiddelen om zichzelf te monitoren een deel kunnen worden van het dagelijks leven van mensen en hun meer zelfbesef kunnen geven.

Uiteindelijk blijft motivatie belangrijk om je gedrag te kunnen veranderen, denk ik. Je moet zelf een behoefte of een dringende noodzaak aanvoelen voor je je gedrag verandert. In onze steekproef waren de deelnemers met een medische aandoening duidelijk meer gemotiveerd om hun gedrag te veranderen, en dat deden ze ook. En oudere mensen zijn doorgaans meer bezorgd over hun gezondheid dan jongeren. Maar je kunt ook aan je motivatie werken. Ik bewonder de inzichten van Stanford-professor Dr. BJ Fogg: hij benadrukt dat het belangrijk is om je gedrag in kleine babystapjes te veranderen. Het is gemakkelijker om ‘kleine gewoontes’, zoals hij het noemt, in je leven op te nemen dan drastische gedragsveranderingen. Maar kleine gewoontes leiden tot grote gewoontes: wanneer je vooruitgang boekt, voel je je meer gemotiveerd. Je begint dan ook jezelf beter te begrijpen en je wordt beter in het opnemen van nieuwe gewoontes in je leven.

Hoe zal dit onderzoek evolueren? Wat zijn je volgende stappen?

De volgende stap is om verschillende profielen van mensen te laten deelnemen, zoals kinderen of mensen met chronische ziektes. Uiteraard wil ik ook met veel grotere steekproeven werken. In die volgende fase zal ik vermoedelijk geconfronteerd worden met wat weerstand van mensen die niet vertrouwd zijn met digitale technologieën. Wij digitale types hebben de neiging om te vergeten dat we een minderheid zijn. In België zal het nog wel enkele jaren duren voordat deze hulpmiddelen echt ingeburgerd geraken. Zelfs onder belanghebbenden in de gezondheidszorg moet er nog heel wat bewustwording gebeuren. Ik ben optimistisch, maar het zal tijd vergen.

Christel De Maeyer geïnterviewd door Frank Boermeester

%d bloggers liken dit: