Site-archief

MIC Healthcare Conference: een succes!

CareForInnovationOp 12 november 2013 organiseerde MIC Vlaanderen de eerste editie van de Healthcare Conference in Affligem.

We mogen gerust spreken van een succes!  Bijna tweehonderd bezoekers hebben kennis gemaakt met tal van startups en gevestigde ICT waarden op de innovatiebeurs.  En daarnaast kon men zich laten inspireren door een rij boeiende sprekers die graag hun expertise deelden met het publiek.

Bekijk hier de reportage en herbeleef de dag opnieuw.

MIC Vlaanderen legde op 12 november de brug tussen technologie en zorg, vandaag en morgen.

Volgend jaar gaat de conferentie door op dinsdag 18 november 2014. Noteer alvast deze datum in uw agenda.

Advertenties

De rol van technologie in de thuiszorg

Luc Van GorpLuc Van Gorp is hoofd van het departement Gezondheidszorg van KHLim en voorzitter van het Wit-Gele Kruis van Vlaanderen. Hij weet dus het één en ander over hoe de gezondheidszorg zich ontwikkelt om de behoeften van onze vergrijzende bevolking aan te pakken. We spraken met Luc over de rol van technologie in de ouderenzorg, in de zorg van chronisch zieken en in de thuiszorg. 


Vertel ons eens over het gebruik van technologie in de thuiszorg. Ben je er optimistisch over?

Ja, maar technologie moet aan enkele belangrijke criteria voldoen als ze wil werken, als ze een gunstige invloed wil hebben. Het allerbelangrijkste is dat de technologie moet afgestemd zijn op de mensen die het gebruiken: je moet altijd het perspectief van de gebruikers in het achterhoofd houden.
Wit Gele Kruis logo
Als voorzitter van het Wit-Gele Kruis van Vlaanderen heb ik onlangs een tijdje ons verplegend personeel op hun ronde gevolgd, wat een enorme impact had op mijn denken en besluitvorming. Als buitenstaander begrijp je vaak niet hoe mensen achter die muren leven. Zonder oneerbiedig te willen zijn: het kan soms rauw zijn. Technologie lijkt doorgaans te zijn ontworpen voor een perfecte, ideale werkelijkheid. De werkelijkheid dient zich echter niet perfect aan, de huizen zijn niet perfect, de mensen en hun denken zijn niet perfect en ons eigen verplegend personeel is niet perfect. Al te vaak is ons perspectief gebaseerd op onze eigen thuisomgeving, maar de realiteit is dat heel veel mensen geen e-mail hebben, geen computers en iPads, en zij kunnen of willen dat ook niet altijd. Dat al die technologie bestaat, betekent nog niet dat iedere persoon er klaar voor is.

Maar technologie kan wel helpen? Of is er altijd weerstand?

Je kunt het verkeerd hebben, maar ook onverwacht juist. Als je een patiënt bijvoorbeeld een infuuspomp geeft om thuis te gebruiken maar die veel te complex is, gaat er wel eens per ongeluk een alarm af. Als er dan geen verplegend personeel aanwezig is, breekt er paniek uit… Aan de andere kant toont onderzoek dat het gebruik van Skype als communicatiemiddel tussen verpleegkundigen en patiënten een absolute meerwaarde kan hebben.Skype Je zou verwachten dat dat niet werkt omdat het onpersoonlijk is en de verbinding niet altijd perfect is, maar het tegendeel bleek waar te zijn: we ondervinden dat mensen meer bereid en geconcentreerd zijn wanneer ze via Skype communiceren. Ze maken zich klaar, kleden zich aan, richten zichzelf op voor het scherm en concentreren zich dan echt op het gesprek, meer nog dan in een face to face gesprek. Dat vonden we echt verrassend, maar je moet wel een heel proces doorlopen voordat je zo’n succes kunt boeken.

Kun je dat eens uitleggen? Wat zijn dan de succescriteria?

Neem het voorbeeld van matrassen die doorligwonden voorkomen. De perceptie die mensen van die matrassen hebben, is een rechtstreekse link met ernstig ziek zijn. Ze associëren die met ziekenhuizen, met het levenseinde. Wanneer een verpleegkundige zegt dat ze zo’n matras gaat meebrengen, doen mensen vaak alles om dit te vermijden. Dus we hebben dan een onderhandelingsproces nodig, we betrekken de familie erbij en we zeggen dat ze met een kussen mogen beginnen voor we de matras erbij halen. Je moet vertrouwen opbouwen, dan wordt er een relatie gevormd, pas dan komt de interventie en daarna de beoordeling of het werkt of niet. Dat proces noemen we onderhandelde zorg.

Bij het elektronisch verpleegkundig dossier zagen we iets gelijkaardigs. Voorafgaand aan de eerste uitrol waren kritische geluiden te horen bij zowel patiënten als verpleegkundigen. Ondanks dat de eerste implementaties kinderziektes kenden (problemen met de netwerkverbinding, servers niet bereikbaar), zagen we snel nadien dat het gebruik van het elektronisch verpleegdossier niet meer weg te denken is in het leven van de thuisverpleegkundige. Het is een onmisbaar instrument voor zowel verpleegkundige als patiënt in de thuissituatie. Verpleegkundigen kunnen zich niet meer voorstellen dat ze terug op de oude manier werken. En de huidige evoluties van instrumenten die gebruikt worden (bv. tablet PCs), maken het mogelijk dat nu ook foto’s genomen worden van bijvoorbeeld wonden. De wondheling kan op deze wijze beter worden opgevolgd, omdat je de genezing dag in dag uit met elkaar kan vergelijken. Het is verbazingwekkend hoe snel zich dat ontwikkelt. Het is een geweldig voorbeeld van een technologie die volledig geïntegreerd is in het denken en handelen van verplegend personeel. Patiënten houden er ook van: ze kunnen nu meekijken op het scherm, willen zien hoe de verpleger hun dossier bijwerkt enzovoort. Op voorwaarde dat het proces goed gepland is en er goede communicatie is, werkt dit.

Vertrouwen is dus de sleutel tot het opbouwen van een relatie, zodat je een interventie kunt onderhandelen…

Ja, en daarom is betrouwbaarheid van de technologie ook zo belangrijk. Neem bijvoorbeeld de persoonlijke alarmen, dat is technologie die ondertussen 25 jaar oud is. De patiënt hangt daarbij een apparaatje rond zijn hals met een knop waarop hij drukt als hij hulp nodig heeft. Je vraagt je misschien af of die technologie nog relevant is, waarom kunnen we daarvoor bijvoorbeeld geen gsm’s gebruiken? Maar die persoonlijke alarmen zijn uitzonderlijk betrouwbaar, je kunt ze zelfs mee in bad nemen. Als we mensen bezoeken om de technologie uit te leggen, drukken patiënten vaak zelf op de knop, eenvoudigweg om die te testen. Ze vinden dat gevoel van veiligheid dat de technologie hun biedt, dat gevoel van comfortabel thuis kunnen blijven, heel belangrijk. telemonitoring

Een ander voorbeeld: we werken momenteel via een project van telemonitoring met bloeddrukmeters die patiënten thuis kunnen gebruiken. Die zijn erg handig in het zorgproces, omdat ze op afstand kunnen detecteren of de bloeddruk in gevaarlijk gebied zit en zelfs de dokter kunnen waarschuwen. Maar het moet wel 100% betrouwbaar werken; 90% is niet voldoende in deze context. Voor onze eigen technologische gadgets zijn we gewend om 90% betrouwbaarheid te aanvaarden, maar hier kunnen we dat niet: patiënten accepteren dat niet omdat hun leven ervan afhangt.
Kortom, je hebt vertrouwen, betrouwbaarheid, relaties en het onderhandelingsproces nodig, en dan zal technologie de zorg fundamenteel veranderen.

Echt? Zal technologie zo’n drastische invloed hebben?

Ja, op voorwaarde dat de patiënt er beter van wordt. We zitten echt op een kantelpunt: technologie wordt nu als positief ervaren en zal dus de manier waarop we aan zorg doen veranderen en de kwaliteit ervan verbeteren. Maar dat alles enkel op voorwaarde dat het vertrouwen en de relatie wordt onderhouden. Dat vergt tijd en inspanningen, wat niet vanzelfsprekend is. De patiënt van vandaag is ook mondiger: ze kijken mee naar het scherm met jou, ze monitoren hun eigen bloeddruk en zien de resultaten, ze weten wat die betekenen en trekken hun eigen conclusies. Dat verandert de hele relatie tussen patiënt en zorgverlener.

Je zegt dat de zorg fundamenteel zal veranderen. Wat voor veranderingen verwacht je dan precies?

Ik kan het niet helemaal uitleggen omdat een toekomstscenario nog steeds moeilijk te bevatten is. Het is een ontwikkeling, vooral in de relatie tussen patiënt en zorgverlener. Neem het voorbeeld met Skype: dat was onverwacht, de relatie verandert, maar het is moeilijk om te vatten hoe exact. Patiënten reageren meer in plaats van eenvoudigweg te ondergaan. Technologie helpt patiënten om sterker voor de dag te komen, meer te weten. Wanneer ze de eigenaar worden van hun medisch dossier, beslissen ze zelf wie toegang heeft, welke familieleden, misschien zelfs de poetsvrouw. Het zal niet meer het voorrecht van de zorgverlener zijn.

Wat ik wel denk is dat het hele idee van emancipatie van de patiënt verkeerd begrepen wordt. Technologie brengt patiënten niet terug tot de toestand van pre-patiënt. Ze zijn nog altijd ziek en hebben nog altijd zorg nodig. In de relatie tussen zorgverlener en patiënt blijft er altijd een zekere mate van afhankelijkheid bestaan. Ik denk dat we ons meer moeten focussen op betrokkenheid van de patiënt, wat iets anders is. Stel dat ik bijvoorbeeld een goede camera wil kopen en één van mijn vooroordelen is dat ik een camera van 1000 euro nodig heb. Een goede fotozaak die ik bezoek, luistert eerst naar mijn behoeften en capaciteiten en raadt me dan bijvoorbeeld een camera van 500 euro aan. Ik beslis dan nog altijd zelf, maar de verkoper heeft me bij de beslissing betrokken. Bij financieel advies werkt het proces gelijkaardig: de raadgever luistert naar je noden en adviseert je, betrekt je bij zijn advies om een betere beslissing te nemen, maar uiteindelijk beslis jij zelf. In de houding ‘Ik denk wel dat ik weet wat goed voor u is, maar u beslist zelf’ staat niet emancipatie centraal, maar betrokkenheid.

Als je die houding nu wil toepassen op gezondheidszorg, dan zal je snel beseffen dat dat lastig wordt omdat elke persoon, elke relatie verschillend is, waardoor het meer tijd in beslag neemt. Dat is wat bedoeld wordt met onderhandelde zorg. Technologie enkel inzetten om zaken sneller te doen, is niet goed. Een goede verkoper begrijpt dat, dus misschien moeten we in de zorg meer als verkopers denken en werken…

Welk advies heb je dan voor ontwikkelaars van technologie en start-ups in deze sector?

Loop mee in de zorg! Ga eens mee met een verpleegkundige, observeer hoe die relaties verlopen. Ik heb dat gedaan en het heeft me sterk beïnvloed. Maar al te vaak merk ik dat ontwikkelaars van technologie de zorg niet begrijpen. Maar ook andersom: wij moeten van technologie en van andere sectoren leren. We zijn bijvoorbeeld Essers gaan bezoeken, een geweldig bedrijf in de logistieke sector. Dat begon toen we mensen van Essers op een reis in China ontmoetten en zij ons vroegen of we met auto’s rondrijden. Dat was een belangrijke aha-ervaring voor ons, want toen beseften we dat dat logistiek is! We leren nu van hen over routeplanning, herbevoorrading enzovoort. We zouden Essers bijvoorbeeld ’s nachts ons verplegend personeel kunnen laten bevoorraden. Als we hen duplicaten van de autosleutels geven, kunnen ze in de koffer voor de bevoorrading. Ons verplegend personeel zou daardoor heel wat tijd uitsparen, zodat ze zich kunnen focussen op de zorg in plaats van op logistiek.

Wit Gele Kruis wagen

Digitale revoluties in topsport en revalidatie

 Bert Professor dr. Bert Op ’t Eijnde is een specialist in sportwetenschappen en inspanningsfysiologie aan de Universiteit van Hasselt. Hij werkt zowel met topsporters als met mensen met aandoeningen die baat hebben bij kinesitherapie en lichaamsbeweging. In beide domeinen beginnen sensoren en digitale technologieën een significante impact te hebben. Professor Op ’t Eijnde legt uit waarom.

Welke impact hebben persoonlijke lichaamssensoren en aanverwante technologieën op de sport gehad?

De impact van sensoren en aanverwante technologieën in de sport is zonder twijfel diepgaand geweest. In de topsport is het al een tijdje vrij normaal om fysiologische parameters zoals de hartslag en de ademhaling te monitoren. In het verleden moesten sporters echter op artsen en gespecialiseerde apparatuur vertrouwen; vandaag de dag kan elke amateursportfanaat zijn hartslag monitoren en uit die gegevens iets zinnigs halen. Bedrijven zoals Polar hebben in dat opzicht een sleutelrol gespeeld: zij hebben de markt opengesteld en de technologie bruikbaar gemaakt voor recreatieve sporters.

In de topsport wordt het monitoren en analyseren van diverse fysiologische parameters steeds belangrijker. Door bijvoorbeeld het tempo te meten waarmee de hartslag tijdens de training stijgt en daalt, kunnen we bepaalde conclusies trekken: wat is bijvoorbeeld het herstelvermogen van de atleet, traint hij te veel of te weinig, en komt dat overeen met zijn teamgenoten?

De technologie heeft ook het begeleiden en opvolgen van atleten geprofessionaliseerd. In het verleden moest het begeleidend team bijvoorbeeld voetballers op hun woord geloven dat ze op vakantie aan hun trainingsprogramma voldeden. Met de huidige hartslagmeters en gps-toestellen kunnen ze hun atleten echter op afstand blijven monitoren. Dat wordt tegenwoordig zelfs contractueel vastgelegd.

Er worden ook voortdurend nieuwe sensoren ontwikkeld. In de professionele wielersport verwacht ik bijvoorbeeld dat het monitoren van de kracht uitgeoefend op de pedalen een gangbare praktijk zal worden, omdat het voordelen heeft ten opzichte van het monitoren van de hartslag. In de komende jaren zal het ook mogelijk zijn om de actuele glucoseconcentratie in het bloed te volgen. Dat zou een enorme impact op de topsport hebben, want je glucosegehalte kennen komt overeen met weten of de benzinetank van je auto vol is of bijna leeg. Glucose is belangrijk omdat het energie aan je spieren levert: wanneer het glucosegehalte daalt, slinkt je energievoorziening snel, wat zich manifesteert in de vorm van de klassieke ‘man met de hamer’ of ‘hongerklop’ waarbij de atleet instort. Als je het glucosegehalte kunt monitoren, kan de atleet een waarschuwing krijgen als zijn tank bijna leeg is, zodat hij weet dat hij moet vertragen en eten en drinken tot zich moet nemen. Omgekeerd is het nuttig om te weten dat je tank nog vol is: dat is immers een goed moment om aan een sprint te beginnen. Sport zal daardoor duidelijk een stuk tactischer worden.

Zullen digitale technologieën volgens jou dan de manier waarop we sporten veranderen?

Wel, in de eerste plaats heeft het monitoren van al die fysiologische parameters de manier waarop mensen trainen heel wat veiliger gemaakt. En uiteraard kan het ook mensen motiveren: mijn hartslagmeter stimuleert me alleszins om meer te lopen. Maar er spelen nog andere factoren mee. Mensen hebben het tegenwoordig zo druk dat hun belangstelling meer verschuift van teamsporten naar individuele sporten. Ik heb drie kinderen en een drukke job, en dat maakt het bijvoorbeeld moeilijk om me te verbinden tot een wekelijkse voetbalwedstrijd met vrienden. Het is veel gemakkelijker om snel even te gaan lopen, want dat kan ik spontaan doen op een moment dat het mij uitkomt. Combineer je die trend met de opkomst van persoonlijke lichaamssensoren en trainers, dan verwacht ik dat we nog een significante verandering gaan zien in de manier waarop mensen sport uitoefenen.

Vertel ons eens over de rol van nieuwe technologieën in revalidatie.

Ik denk dat technologieën uit computergames ons een enorme kans bieden om mensen met cardiovasculaire aandoeningen of mensen die aan multiple sclerose lijden te helpen. Aan de Universiteit van Hasselt ontwikkelen wij bijvoorbeeld momenteel revalidatierobots die mensen helpen om stimulerende bewegingen te maken en revalidatieoefeningen uit te voeren. Zulke technologieën hebben twee belangrijke voordelen. Ten eerste kunnen patiënten daardoor oefenen zonder dat een therapeut permanent met hen bezig is. Het beperkt aantal therapeuten vergeleken met het aantal revalidanten in een revalidaticentrum maakt immers dat therapeuten maar beperkt individueel bezig kunnen zijn met hun patiënten. Dat beperkt uiteraard sterk de hoeveelheid oefeningen die ze kunnen doen. En we weten dat de tijd die patiënten aan hun revalidatieoefeningen besteden rechtstreeks gecorreleerd is met de resultaten: hoe meer je oefent, hoe beter het resultaat. Ten tweede maken die technologieën revalidatieoefeningen leuk. Traditionele revalidatieoefeningen worden na een tijdje vaak als saai ervaren: patiënten worden er niet alleen fysiek moe van, maar ook mentaal. Vandaar dat we momenteel serieuze games creëren die mensen stimuleren om meer te oefenen.

Op dit punt zijn we nog in de fase van een prototype, maar in de komende vijf jaar verwacht ik een heel snelle evolutie in het gebruik van revalidatietechnologieën. Consumententechnologieën, zoals bijvoorbeeld Microsoft’s Kinect, kunnen een sleutelrol spelen om revalidatiemateriaal bij de mensen aan huis te brengen. Dat kan ziekenhuisbezoeken radicaal verminderen en de frequentie van oefeningen verhogen.

Een dienst voor persoonlijke medische dossiers in de Benelux?

 

Jan Van Emelen heeft al een lange carrière in de Belgische gezondheidszorg achter de rug. Hij heeft als arts gewerkt (zelfs in de tropen), hij adviseerde het kabinet Verhofstadt over gezondheidszorg, en momenteel is hij directeur innovatie bij een van de grootste Belgische ziekenfondsen, de Onafhankelijke Ziekenfondsen. In de loop der jaren nam Jan het voortouw bij talrijke inspanningen om de gezondheidszorg te transformeren, zowel lokaal als op Europees niveau. Vandaag is hij ook betrokken bij een technologie start up. Jan legt uit waarom.

Vertel ons eens over je missie van de afgelopen decennia, wat probeer je juist te veranderen?

Ik ben sinds een aantal jaren al aan het onderzoeken hoe we technologie kunnen inzetten om het beheer van chronische ziektes in ons land te verbeteren. Dat is essentieel omdat de zorgbehoeften van onze bevolking snel aan het veranderen zijn. Door de vergrijzing zijn we duidelijk aan het evolueren van een situatie van één pathologie per persoon naar een situatie waarbij een persoon doorgaans meerdere pathologieën heeft. Dit vraagt een heel andere manier van werken.

We hebben verandering nodig, maar helaas blijkt dat moeilijk tot stand te brengen. Ik heb geprobeerd wat beweging in de zaak te krijgen via de volksgezondheidsdiensten, via de politiek en via de ziekenfondsen, maar dat had allemaal weinig resultaat. Als je kijkt hoe andere landen de kwestie aanpakken, is het duidelijk dat je niet zomaar technologie op de bestaande gezondheidszorg kan plakken en dan kan verwachten dat het enige impact heeft. Het is daarentegen cruciaal dat we vertrekken van de business van de gezondheidszorg zelf, en dat we dan zoeken naar betere manieren om de gezondheidszorg te organiseren, ondersteund door technologie.

In Nederland bijvoorbeeld zijn een aantal ziekenfondsen, in samenwerking met huisartsennetwerken, aan het experimenteren met een webgebaseerde monitoringtool voor het beheer van specifieke zorgstromen, zoals antistollingsmiddelen, astma en diabetes. Bij antistollingsmiddelen helpt dit experiment patiënten om zelf meer verantwoordelijkheid te nemen, bijvoorbeeld om te controleren wanneer ze de dosering van hun medicatie moeten aanpassen. In België nemen meer dan 70.000 mensen antistollingsmedicatie, die allemaal nog het traditionele proces moeten doorlopen van frequente doktersbezoeken en bloedtesten. Er is duidelijk een betere manier om deze omstandigheden te beheren.

Dus je bent nu betrokken bij een technologiebedrijf?

Momenteel ben ik betrokken bij een project met een Vlaamse start up, FamilyWare. Ze bieden een soort online organiser voor families aan, met modules voor administratie, internetbankieren, adressen, foto’s, belangrijke documenten enzovoort. Ik ben hen aan het helpen met het ontwikkelen van een dienst voor persoonlijke medische dossiers, die de communicatie met artsen, apothekers, ziekenhuizen en ziekenfondsen stroomlijnt. Ons doel is tweeledig: we willen enerzijds een meer geïntegreerde zorg mogelijk maken, dat wil zeggen de samenwerking tussen eerste- en tweedelijnszorg verbeteren. Anderzijds willen we patiënten in staat stellen om meer verantwoordelijkheid voor hun eigen gezondheid op zich te nemen. In een eerste fase hebben we gesproken met de huisartsenverenigingen en apotheken. In een tweede fase willen we ook de ziekenfondsen, de farmaceutische bedrijven en de producenten van medische apparatuur erbij betrekken.

En wat voor functionaliteit mogen we dan verwachten?

We ontwikkelen het product ziekte per ziekte. Voor diabetes bijvoorbeeld hebben we een online dagboek nodig, dat automatisch bijgewerkt kan worden door de persoonlijke glucosemeters van een patiënt. Dat systeem moet dan natuurlijk compatibel zijn met de meeste merken op de markt. Het product moet ook een kerndossier genereren voor behandelende artsen, een soort medische samenvatting die voldoet aan internationale semantische normen zoals HL7 en ICD10. Dat is cruciaal voor een doeltreffende informatie-uitwisseling tussen de artsen. Begeleidende hulpmiddelen zijn ook belangrijk, bijvoorbeeld om de patiënt te helpen bij het volgen van strenge regimes voor zijn dieet en medicatie. Meer dan de helft van de patiënten met een chronische ziekte neemt zijn medicijnen niet zoals het hoort, dus er is hier beslist nog potentieel om een significant verschil te maken. Dat is vooral belangrijk bij ziektes met moeilijke behandelingsregimes, zoals diabetes, de ziekte van Crohn of artritis. Gamification kan hier een sleutelrol spelen door een zekere mate van plezier in de zorg te introduceren.

Uiteraard zouden ook de administratieve aspecten van de gezondheidszorg door dit platform afgehandeld moeten worden, zoals het maken van afspraken bij de dokter en het uitzoeken van de juiste documenten voor het ziekenfonds. Daarom zijn ook de koppelingen met apotheken belangrijk.

Mocht dit lukken, dan zouden die gegevens toch een absolute schatkamer zijn?

Absoluut, want als we al die gegevens samenbrengen, creëren we in feite een tool voor risicobeheer, wat heel interessant is voor de ziekteverzekering. Op dit moment verzekeren we eenvoudigweg risico’s, terwijl we met zo’n tools ook de mogelijkheid hebben om risico’s te beheren. De gegevens zijn er al, we gebruiken ze gewoon nog niet naar behoren.

Wat zijn jullie doelstellingen en hoe gaan jullie deze waarmaken?

Er is een fundamenteel nieuwe aanpak van de gezondheidszorg nodig en we hopen in dat verband een bijdrage te leveren. Ons uitgangspunt is de patiënt. We zijn op kleine schaal praktische hulpmiddelen aan het ontwikkelen en we zullen geleidelijk aan uitbreiden door meer functionaliteit en partners toe te voegen. Op dit moment telt FamilyWare 18.000 geregistreerde gebruikers, waarvan ongeveer een derde regelmatig gebruikmaakt van de tools. We vragen hen nu om een kleine jaarlijkse vergoeding voor die premiumdiensten, maar ik denk dat we uiteindelijk naar een B2B-model gaan verschuiven waarbij de ziekenfondsen of anderen deze kosten op zich nemen.

We moeten alle belanghebbenden aan boord krijgen om te slagen. Daarom zijn we aan het praten met de artsen en apothekers. Meer zelfs, we zijn een model aan het creëren waarbij dokters en apothekers kunnen deelnemen als aandeelhouders van het platform. We moeten ook samen met de overheid kijken naar mogelijkheden voor publiek-private samenwerkingen. Dit is allemaal essentieel voor de duurzaamheid van het model. Er is geen gebrek aan proefprojecten in het hele eHealth-domein, maar het probleem is tot nu toe dat deze projecten doorgaans niet tot een duurzame verandering hebben geleid. De oorzaak is eenvoudig: door de huidige structuren is er geen enkele prikkel om de oude manier van werken te verlaten.

Zal het platform open zijn voor externe ontwikkelaars of voor leveranciers van complementaire diensten?

Jazeker, de ontwikkeling van een open platform is cruciaal, zodat andere diensten en apparaten er eenvoudig op kunnen aansluiten. Denk daarbij aan monitoringtoestellen, maar ook aan programma’s voor coaching en fitness. De dienst zal ook compatibel moeten zijn met andere systemen voor medische dossiers, zoals MediBridge (een populair systeem voor uitwisseling van informatie tussen zorgverstrekkers ) of het systeem van Kind en Gezin.

Wat zijn de grootste uitdagingen die je voor je ziet?

Laat me ten eerste Peter Piot citeren: “We hebben geen tijd te verliezen”. Piots werk in het behandelen van AIDS is een voorbeeld voor ons allen. Dat we vandaag succesvol AIDS kunnen behandelen, hebben we te danken aan o.a. Piots inspanningen om alle belanghebbenden bij elkaar te brengen om deze ziekte aan te kunnen. We hebben een gelijkaardige gedurfde aanpak nodig om chronische ziektes aan te pakken. Ten tweede moeten we functionaliteit introduceren die goed getest is en empirisch onderbouwd. In de gezondheidszorg is een gedisciplineerde en uiterst professionele aanpak van doorslaggevend belang. Uiteindelijk moeten we bewijzen dat we een significant verschil kunnen maken in de behandeling van chronische ziektes. Ten derde hebben we een haalbaar businessmodel nodig, zowel op korte als op lange termijn. Op korte termijn kijken we naar investeerders en behouden we een model waarbij de gebruiker betaalt, maar op lange termijn werken we aan een B2B-model waarin onze belanghebbenden kunnen deelnemen als aandeelhouders.

%d bloggers liken dit: