Site-archief

Telegeneeskunde in de praktijk: de visie en ervaring van de Mobile Health Unit

Pieter VandervoortDe Mobile Health Unit, verbonden aan de Universiteit Hasselt, het Ziekenhuis Oost Limburg en het Jessa Ziekenhuis is pionier in het gebruik van telegeneeskunde in de cardiologie. Maar de ambitie van deze multidisciplinaire onderzoeksgroep reikt verder: onderzoek in alle mogelijke medische domeinen waarin telegeneeskunde van toepassing zou kunnen zijn. De Mobile Health Unit wil op deze wijze een belangrijke rol spelen in de overgang naar de geneeskunde van de toekomst waarbij betrokkenheid van de patient, predictie en preventie centraal staan. We praten met Prof. Dr. Pieter Vandervoort, een van de initiatiefnemers van het centrum, over de realisaties tot dusver en de obstakels die nog op het pad van telegeneeskunde liggen als we het op grote schaal willen toepassen.

Wat is de visie achter de Mobile Health Unit? Wat zijn jullie doelstellingen?

De Mobile Health Unit is een initiatief van twee ziekenhuizen – het Ziekenhuis Oost Limburg in Genk en het Jessa Ziekenhuis in Hasselt – en de faculteit Geneeskunde en Levenswetenschappen van de Universiteit Hasselt. Onze visie is om technologieën die vandaag bij mensen thuis aanwezig zijn, zoals internet, laptops en smartphones, in de gezondheidszorg toe te passen. We willen met betere opvolging thuis bijvoorbeeld de levenskwaliteit van de patiënt verbeteren, ziekenhuisopnames vermijden of zo kort mogelijk houden en uiteindelijk de levensverwachting van de patiënt verlengen.

De Mobile Health Unit biedt een platform aan om dit soort technologieën in een klinische omgeving te testen en te onderzoeken. De klinische context wordt aangeboden door de twee ziekenhuizen, en de onderzoeksondersteuning door de universiteit. Zo kunnen we dus de gegevens die we in de klinische context verzamelen voor onderzoeksdoeleinden valideren. We kunnen daarvoor gebruik maken van de expertise in de faculteit Geneeskunde, maar ook uit andere onderzoeksdomeinen van de universiteit, zoals statistiek, gezondheidseconomie, rechten, marketing en human-computer interface.

We zijn van start gegaan in de cardiologie omdat prof. dr. Paul Dendale en ik beiden cardiologen zijn, maar de bedoeling is wel om ook onderzoek in andere domeinen te ondersteunen. We zien bijvoorbeeld al interesse van artsen gespecialiseerd in chronische longaandoeningen, en ook voor mensen met slaapproblemen, diabetes en zwangerschap.

Welke projecten lopen er momenteel?

Er zijn momenteel een aantal projecten aan de gang, waarvan er twee ondersteund zijn door Flanders’ Care. Tele-Rehab III heeft als doel om patiënten die een hartoperatie ondergaan hebben bij hun revalidatie te ondersteunen. We weten dat revalidatie een gunstig effect heeft. De deelnemende patiënten in dit project worden thuis opgevolgd via een bewegingssensor (pedometer), en ook hun bloeddruk en gewicht worden gemonitord. Met die informatie kunnen we de patiënt begeleiden om in beweging te blijven en mogelijke problemen tijdig detecteren.

Een tweede project is 1Heart2Care4, dat zich richt op patiënten met chronisch hartfalen. Die patiënten spenderen veel tijd in het ziekenhuis en hebben een grote kans op heropname en overlijden. In dit project proberen we na het ontslag uit het ziekenhuis voor de patiënt een veel nauwere opvolging te organiseren. Dat doen we door onder andere medicatie inname, bloeddruk, hartritme en gewicht te monitoren en die gegevens voor de thuiszorg en de huisarts beschikbaar te maken. Daarmee willen we een heropname vermijden, een korter ziekenhuisverblijf mogelijk maken en een betere levenskwaliteit realiseren.

Beide projecten lopen momenteel nog. Daarnaast hebben we onderzoeksprojecten bij patiënten met hartfalen en gesofisticeerde pacemaker implantaten : onze klinische praktijk volgt ongeveer vijfhonderd patiënten op met telemonitoring : veruit de grootste in België. Verder hebben we nog andere projecten die zich toespitsen op hartritmestoornissen, bloeddrukcontrole en therapietrouw.

Wat zijn de belangrijkste bevindingen tot nu toe?

Onze twee grote Flander’s Care projecten lopen nog en moeten ook in de context gezien worden van andere internationale studies, want daar bouwen we natuurlijk op voort. Wat betreft cardiale revalidatie hebben we in een studie onder leiding van Prof. Dendale aangetoond dat met telemonitoring en coaching de gunstige effecten van cardiale revalidatie langer aanhouden.

Met betrekking tot hartfalen van patiënten kunnen we al wel zeggen dat telegeneeskunde een positief effect kan hebben op de duur van het ziekenhuisverblijf, op het aantal heropnames en op de levenskwaliteit. Echter nog geen enkele grote studie heeft kunnen aantonen dat mensen langer leven, hoewel we zelf in een kleiner gemeenschappelijk onderzoek wel een gunstig effect zagen. Deze bevindingen moeten nog op grotere schaal bevestigd worden.

Er is dus nog werk aan de winkel. Op welke prioriteiten moet het onderzoek zich volgens u richten om telegeneeskunde verder te laten ontwikkelen?

De kans is groot dat ons tekortschieten in de verhoopte resultaten te maken heeft met het feit dat de parameters die we momenteel volgen, zoals bloeddruk en gewicht, veel te ruw zijn. Misschien zijn die parameters eenvoudigweg niet fijn genoeg om het verloop van een complexe ziekte zoals hartfalen accuraat en nauwkeurig op te volgen. Er is dus nog een enorme ontwikkeling in technologie nodig – en die komt er. Wij verwachten dat binnen twee tot drie jaar de aanpak van vandaag volledig achterhaald zal zijn. Over niet al te lange tijd zullen we implantaten hebben die bijvoorbeeld de bloeddruk in de bloedvaten meten of implantaten in het hart zelf, en zelfs geavanceerde sensoren die als pleisters op de huid aangebracht worden. In dat kader werken wij samen met Imec om onderzoek te doen naar miniaturisatie van onder andere batterijen, materialen voor implantaten enzovoort. Dat soort onderzoek is van ontzettend belang en wat wij aanbieden met de Mobile Health Unit is een proeftuin met honderden patiënten waar we het nut van die nieuwe technologieën kunnen uittesten in de klinische praktijk.

Een ander domein dat veel aandacht verdient, is dataintegratie. In een ideale wereld zouden alle gegevens die bij de patiënt thuis en in een klinische context verzameld zijn, samengebracht worden in een elektronisch medisch dossier. Vandaag bevinden die gegevens zich op meerdere plaatsen en moeten we dus verschillende bronnen raadplegen. Alle telegeneeskundetoepassingen die vandaag op de markt zijn, hanteren bijvoorbeeld hun eigen gegevensstandaarden en hebben hun eigen website of portal waar je je gegevens moet raadplegen. Technisch is het mogelijk om dat allemaal beter te integreren, maar de stimulans om daarin te investeren bestaat nog niet. Privacy is een obstakel waarover vaak gesproken wordt, maar dat is op te lossen; het echte probleem is de versnippering.  Ik denk dat er onvoldoende duidelijkheid en eensgezindheid is in de verwachtingen van de verschillende zorgverstrekkers en instellingen .

De klinische opvolging van al die telegeneeskundegegevens is ook een uitdaging. Je kunt van je huisarts niet verwachten dat hij of zij constant verschillende websites met je bloeddruk- en hartritmegegevens moet raadplegen, of dat hij of zij om de haverklap een e-mail ontvangt van een of andere telemonitoring app. Wat ontbreekt is een soort klinisch callcenter waar speciaal opgeleide verpleegkundigen op een systematische manier deze gegevens monitoren, maar ook interpreteren, zonodig in overleg met de specialist, en medische feedback geven aan de patiënt en de huisarts. Je kunt de meest fantastische toepassing hebben, maar zonder klinische terugkoppeling is die waardeloos. Dat is een van de redenen waarom we in het Ziekenhuis Oost Limburg een klinisch call center opgezet hebben, om een terugkoppeling te bieden aan de patiënt en zijn huisarts.  Wat we hier in Genk in de laatste drie jaar gebouwd hebben, staat nog in de kinderschoenen, maar we slagen er wel in om ettelijke honderden patiënten systematisch op te volgen. Op alle telemonitoringgegevens van verschillende toepassingen die hier binnen komen, voeren we een triage uit. Daardoor kunnen de verpleegkundigen duidelijk beslissen wie ze moeten bellen, of ze een arts moeten verwittigen, of ze de patiënt extra moeten bevragen enzovoort. Om deze steeds groeiende hoeveelheid gegevens snel en overzichtelijk te visualiseren en te analyseren werken we samen met het Microsoft Innovation Center hier in Genk.

Wat moet er nog gebeuren om telegeneeskunde op grote schaal toe te passen in de gezondheidszorg?

In de Belgische context is vooral de financiering van telegeneeskunde een obstakel. Het is begrijpelijk dat de overheid een efficientiewinst, betere zorgkwaliteit of kostenbesparing verwacht. Ook dit is één van de opdrachten van de Mobile Health Unit om deze gegevens op een wetenschappelijk verantwoorde manier aan te leveren. Een mogelijke oplossing is om de financiering te verantwoorden omdat er minder gehospitaliseerd moet worden. Thuiszorg is veel goedkoper dan ziekenhuiszorg, dus als een telegeneeskundedienst hospitalisatie kan vermijden, dan zou dat telegeneeskundebudget vanuit het ziekenhuisbudget kunnen komen. Maar de kans dat dit realiteit wordt, schat ik klein in.

Stel nu dat we de financiering oplossen, hoe ziet u dan de organisatie van telegeneeskunde en de gerelateerde klinische callcenters ontwikkelen?

De technische kant van telegeneeskunde zal buiten het ziekenhuis beheerd moeten worden; de thuiszorg en technologiebedrijven zullen moet samenwerken om de apparatuur bij de mensen thuis te onderhouden. Een aantal gegevens zal de patient zelf kunnen inkijken en beheren. Op deze wijze is hij of zij meer betrokken en mede verantwoordelijk voor de opvolging van zijn gezondheid. De analyse en opvolging van de meer complexe parameters daarentegen kunnen het best gecentraliseerd worden. Dit gebeurt best in een telegeneeskunde dienst of klinisch call center. Vandaar uit wordt een terugkoppeling gegeven, al dan niet met een aanbeveling of klinische actie, naar de huisarts en/of de patient. Ik verwacht dat dit bijvoorbeeld op provinciaal niveau kan: men onderhoudt dan in elke provincie één of twee klinische callcenters die elk ettelijke duizenden patiënten opvolgen.

Advertenties

Digitale revoluties in topsport en revalidatie

 Bert Professor dr. Bert Op ’t Eijnde is een specialist in sportwetenschappen en inspanningsfysiologie aan de Universiteit van Hasselt. Hij werkt zowel met topsporters als met mensen met aandoeningen die baat hebben bij kinesitherapie en lichaamsbeweging. In beide domeinen beginnen sensoren en digitale technologieën een significante impact te hebben. Professor Op ’t Eijnde legt uit waarom.

Welke impact hebben persoonlijke lichaamssensoren en aanverwante technologieën op de sport gehad?

De impact van sensoren en aanverwante technologieën in de sport is zonder twijfel diepgaand geweest. In de topsport is het al een tijdje vrij normaal om fysiologische parameters zoals de hartslag en de ademhaling te monitoren. In het verleden moesten sporters echter op artsen en gespecialiseerde apparatuur vertrouwen; vandaag de dag kan elke amateursportfanaat zijn hartslag monitoren en uit die gegevens iets zinnigs halen. Bedrijven zoals Polar hebben in dat opzicht een sleutelrol gespeeld: zij hebben de markt opengesteld en de technologie bruikbaar gemaakt voor recreatieve sporters.

In de topsport wordt het monitoren en analyseren van diverse fysiologische parameters steeds belangrijker. Door bijvoorbeeld het tempo te meten waarmee de hartslag tijdens de training stijgt en daalt, kunnen we bepaalde conclusies trekken: wat is bijvoorbeeld het herstelvermogen van de atleet, traint hij te veel of te weinig, en komt dat overeen met zijn teamgenoten?

De technologie heeft ook het begeleiden en opvolgen van atleten geprofessionaliseerd. In het verleden moest het begeleidend team bijvoorbeeld voetballers op hun woord geloven dat ze op vakantie aan hun trainingsprogramma voldeden. Met de huidige hartslagmeters en gps-toestellen kunnen ze hun atleten echter op afstand blijven monitoren. Dat wordt tegenwoordig zelfs contractueel vastgelegd.

Er worden ook voortdurend nieuwe sensoren ontwikkeld. In de professionele wielersport verwacht ik bijvoorbeeld dat het monitoren van de kracht uitgeoefend op de pedalen een gangbare praktijk zal worden, omdat het voordelen heeft ten opzichte van het monitoren van de hartslag. In de komende jaren zal het ook mogelijk zijn om de actuele glucoseconcentratie in het bloed te volgen. Dat zou een enorme impact op de topsport hebben, want je glucosegehalte kennen komt overeen met weten of de benzinetank van je auto vol is of bijna leeg. Glucose is belangrijk omdat het energie aan je spieren levert: wanneer het glucosegehalte daalt, slinkt je energievoorziening snel, wat zich manifesteert in de vorm van de klassieke ‘man met de hamer’ of ‘hongerklop’ waarbij de atleet instort. Als je het glucosegehalte kunt monitoren, kan de atleet een waarschuwing krijgen als zijn tank bijna leeg is, zodat hij weet dat hij moet vertragen en eten en drinken tot zich moet nemen. Omgekeerd is het nuttig om te weten dat je tank nog vol is: dat is immers een goed moment om aan een sprint te beginnen. Sport zal daardoor duidelijk een stuk tactischer worden.

Zullen digitale technologieën volgens jou dan de manier waarop we sporten veranderen?

Wel, in de eerste plaats heeft het monitoren van al die fysiologische parameters de manier waarop mensen trainen heel wat veiliger gemaakt. En uiteraard kan het ook mensen motiveren: mijn hartslagmeter stimuleert me alleszins om meer te lopen. Maar er spelen nog andere factoren mee. Mensen hebben het tegenwoordig zo druk dat hun belangstelling meer verschuift van teamsporten naar individuele sporten. Ik heb drie kinderen en een drukke job, en dat maakt het bijvoorbeeld moeilijk om me te verbinden tot een wekelijkse voetbalwedstrijd met vrienden. Het is veel gemakkelijker om snel even te gaan lopen, want dat kan ik spontaan doen op een moment dat het mij uitkomt. Combineer je die trend met de opkomst van persoonlijke lichaamssensoren en trainers, dan verwacht ik dat we nog een significante verandering gaan zien in de manier waarop mensen sport uitoefenen.

Vertel ons eens over de rol van nieuwe technologieën in revalidatie.

Ik denk dat technologieën uit computergames ons een enorme kans bieden om mensen met cardiovasculaire aandoeningen of mensen die aan multiple sclerose lijden te helpen. Aan de Universiteit van Hasselt ontwikkelen wij bijvoorbeeld momenteel revalidatierobots die mensen helpen om stimulerende bewegingen te maken en revalidatieoefeningen uit te voeren. Zulke technologieën hebben twee belangrijke voordelen. Ten eerste kunnen patiënten daardoor oefenen zonder dat een therapeut permanent met hen bezig is. Het beperkt aantal therapeuten vergeleken met het aantal revalidanten in een revalidaticentrum maakt immers dat therapeuten maar beperkt individueel bezig kunnen zijn met hun patiënten. Dat beperkt uiteraard sterk de hoeveelheid oefeningen die ze kunnen doen. En we weten dat de tijd die patiënten aan hun revalidatieoefeningen besteden rechtstreeks gecorreleerd is met de resultaten: hoe meer je oefent, hoe beter het resultaat. Ten tweede maken die technologieën revalidatieoefeningen leuk. Traditionele revalidatieoefeningen worden na een tijdje vaak als saai ervaren: patiënten worden er niet alleen fysiek moe van, maar ook mentaal. Vandaar dat we momenteel serieuze games creëren die mensen stimuleren om meer te oefenen.

Op dit punt zijn we nog in de fase van een prototype, maar in de komende vijf jaar verwacht ik een heel snelle evolutie in het gebruik van revalidatietechnologieën. Consumententechnologieën, zoals bijvoorbeeld Microsoft’s Kinect, kunnen een sleutelrol spelen om revalidatiemateriaal bij de mensen aan huis te brengen. Dat kan ziekenhuisbezoeken radicaal verminderen en de frequentie van oefeningen verhogen.

Succesvolle beurs Zorgidee

zorgidee

Bron: Artsenkrant, dinsdag 19 februari 2013

%d bloggers liken dit: